Archive for the ‘Salto #1 Nederlands’ Category

Stadslucht

Thursday, January 24th, 2013

Stap mee op de toerbus. Maak een ritje door hun stad. Wolkenkrabbers van blikkend beton en staalhard glas. Het stadscentrum is een winkelcentrum in open lucht. Kasseien en authentieke middeleeuwse stenen als decoratie. Een afgelijnd en ingeperkt grasperkje als groene excuustruus.

Netwerken boven onze hoofden, onder de grond. Ze trekken grenzen, verdelen het territorium, controleren, sluiten uit. Zoals een onzichtbaar netwerk met betaalkaarten als toegangspasje. Zoals poortjes naar een netwerk waarin niemand onzichtbaar blijft. Openbaar vervoer, massatransport om permanent brandstof te leveren voor de economie.

De stad als vijandige omgeving.

Mensen kruizen elkaars pad maar zitten met hun hoofd verstrikt in communicatienetwerken. Mensen lopen tegen elkaar op. Agressief gedrag.

Eénogigen registreren de afwijkingen, slagen alles op in hun databases. Rode vestjes, paarse jassen, gekruiste armen, traag voorbijrijdende auto – blauwe streep, meststof voor paranoïde waanbeelden die elk moment realiteit kunnen worden.

Sociale mix is het excuus voor pestgedrag tegen de armen. Multiculturaliteit zegt de verkoopfolder, ‘s morgens naar de Marokkaanse bakker, ‘s avonds naar de Libanees of waarom niet eens de Chinees. De middenstand ziet er wel brood in.

De burger die trouw heeft gezworen aan de democratie, doet zijn zeg voor de televisiecamera’s of bij gebrek daaraan, drukt op de reactie knop om zijn opinie nog eens te ventileren.

Kijk om je heen, mis geen photo opportunity, adem in, maar niet te diep. De zuurstof in je longen is een constante bron van kanker. De stadslucht is, net zoals de stad zelf, een contradictie in zichzelf. Een metafoor voor het leven en de dood, de chaos en de orde in permanent conflict.

Wandel met mij mee, neem een kijkje in mijn stad. Ik heb het hier en daar wat bijgekleurd. Want nadat stadsplanners hun perverse creativiteit aangevuurd door macht en geld hebben botgevierd, is het mijn beurt.

Geen artistiek gelul, geen bijdrage aan of verfraaiing van.

Voor geruststellende kleuren vlucht je weg achter je televisiescherm.

Storende elementen voor de geesten die enkel orde begrijpen. De ideologie van de netheid is de ideologie van de controle, is de ideologie van de openbare orde, is de ideologie van de staat. Dus slaagt mijn hart telkens een slag sneller als ik weer opmerk, die daad.

Iemand heeft buiten de lijntjes getekend.

De stad als plaats waar individuen constant de wanorde voeden.

Voorlopig heeft de stad van de orde de bovenhand. Tot een moment van georganiseerde wanorde. Tot een ontmoeting van deze daden en die individuen.

Wij

Thursday, January 24th, 2013

Volgens de bekende uitspraak van Mark Twain zijn redacteurs en mensen met lintwormen de enige mensen die het woord “wij” mogen gebruiken, maar naar ons weten heeft niemand ooit een grondige analyse gemaakt van de machtsrelaties verscholen in deze enkele lettergreep. “Wij” klinkt egalitair, gemeenschappelijk en samenwerkend, terwijl het vaker wel dan niet verwijst naar hiërarchische en dwingende sociale relaties. Fascisme, laten we het niet vergeten, is ook een vorm van collectiviteit.

In onze eerste onderzoeksfase hebben we verschillende varianten van “wij” ontdekt, hoewel dit allesbehalve een volledige lijst is:

De Wij van de leider: “… en we zullen onze levens geven, als het nodig blijkt, om ons vaderland te beschermen!”

De Wij van de manager: “We hebben de productiviteit met 25% kunnen verhogen dit jaar, en dat zullen we terug zien in de winsten.”

De Wij van de baas: “We moeten dringend deze keuken opkuisen, binnen het half uur.”

De Wij van de oppas: “Zijn we een beetje geprikkeld vanavond? Misschien is het tijd voor ons om naar bed te gaan?”

De Wij van de supporter: “We gaan naar de wereldbeker dit jaar!” Natuurlijk ga jij!

De Wij van de activist: “Whose streets? Our streets!” Van wie precies?

De Wij van de partij: “Nu de fabrieken in de handen zijn van de arbeiders, kunnen we beginnen met de creatie van het paradijs op aarde voor de Mensheid!” (net voor een eenrichtingsreis naar Siberië)

Wij van Zamyatin: Een onderschatte roman waaruit Orwell veel inspiratie heeft geput voor 1984.

 

Sommige vormen van Wij verwijzen naar totaal mythische sociale lichamen: de Wij van de burger bijvoorbeeld, omvat alle mensen die verenigd worden door het burgerschap, die op haar beurt gegeven wordt door de natiestaat, zelfs als bepaalde burgers zich kritisch achten ten opzichte van die staat. Andere vormen, zoals de Wij in identiteitsvorming, willen zelfbewuste sociale lichamen creëren door een mythische gemeenschappelijkheid voorop te stellen op basis van indirecte bewijsvoering.

Veel verschillende vormen van collectieve processen zitten verscholen in “Wij”. In de wereld van de politiek omvat ze de democratische Wij – “We hebben gestemd voor het buitenzetten van 40% van onze leden” – en de consensus Wij: “We hebben er vier weken over gedaan om een paragraaf te schrijven die ik in drie minuten had kunnen schrijven!”

Een anarchistische uiteenzetting van het woord Wij kan niet volledig zijn zonder een onderzoek naar de Wij van de propagandist. Deze Wij is verre familie van de “koninklijke” Wij*, omdat het allesbehalve een Wij is. De Wij van de propagandist is vooral populair onder radicalen die willen overkomen alsof ze helemaal alleen een coherente sociale beweging omvatten. Een vlijtige stamboomdeskundige zou er een geschiedenis van kunnen uittekenen. In het beste geval is deze Wij hoopvolle inbeelding; in het slechtste geval, is het de Wij van de toekomstige despoot, die fantaseert over het op poten zetten van een leger van mechanisaties omdat hij zich geen andere vorm van relaties kan voorstellen.

Met deze ambiguïteit in het achterhoofd, welk gebruik van het woord “Wij” is nog mogelijk? Wij (daar is het, “wij”!) zouden de lezer willen wijzen op de bekende grap waarin Tonto en de Lone Ranger achtervolgd worden door een bloeddorstige horde van zogenaamde indianen:

“Het ziet ernaar uit dat we in de problemen zitten, makker,” stelt Lone Ranger vast.

Waarop Tonto: “Wat bedoel je met ‘wij‘, blanke man?”

*De gedachte achter de koninklijke Wij – de pluralis majestatis – is dat een monarch of een andere hoge piet altijd spreekt voor zijn of haar volk. Op dezelfde manier wordt naar de beslissingen van de gemeenteraad verwezen als die van “de” stad, eerder dan van het bestuur van die stad. Bijvoorbeeld; “Jarenlang heeft de stad Leuven vruchteloos geprobeerd in het centrum haar inwoners te verhinderen om ‘s nachts op straat alcohol te drinken.”

Blanqui of de statelijke opstand

Wednesday, January 23rd, 2013

Aan Louis Auguste Blanqui (1805-1881) kunnen we in het uiterste geval een slogan en een boek verschuldigd voelen. De eerste is die van Ni Dieu, Ni Maître (god noch meester), wat de naam werd van de krant die hij in november 1880 oprichtte, enkele maanden voor zijn dood. Het tweede is het fascinerende L’eternité à travers les astres, méditiations sur l’existence de mondes parallèles et le retour éternel (De eeuwigheid doorheen de sterren, beschouwingen over het bestaan van parallelle werelden en de eeuwige terugkeer). Een strijdkreet en een filosofisch werk over astronomie: dat is alles waarvoor Blanqui verdient om herinnerd te worden. De rest smijten we met veel plezier in de vuilnisbak van de geschiedenis, van zijn andere kranten (zoals La Patrie est en Danger) tot zijn avant-gardistische en autoritaire politiek.

Niet iedereen deelt deze visie. De laatste tijd zijn er zelfs die zich uitsloven om zijn naam, die bestemd leek voor de vergetelheid, terug boven te halen. Zijn herontdekking werd opgestart door subversievelingen van autoritaire stempel die meer vitaminerijk zijn en minder in het gips zitten, behendige besnuffelaars van de wind van het moment. Tegenover het alsmaar heftigere ineenstuiken van deze maatschappij, tegenover het voortdurende oplaaien van de brandhaarden van rellen, zullen ze tot het besef gekomen zijn dat om de hoek, het waarschijnlijker is (en ook wenselijker) dat er een opstand zit aan te komen, eerder dan een verkiezingsoverwinning van extreem-links (die in dat geval trouwens een situatie zonder pijnloze uitwegen zou moeten beheren en oplossen). Nu, vanuit dat standpunt, zouden ze serieus het risico lopen om vrij spel te geven aan die boerenkinkels van anarchisten, de enigen die nooit de insurrectionele perspectieven overboord hebben gegooid, ook niet in de meest grijze jaren van de sociale pacificatie. De linkse voorvaders van de sociale kritiek, de zogenaamde “klassiekers”, konden niet van noemenswaardige hulp zijn, want die zijn sinds een tijdje al hun glazuur verloren. Nadat ze meer dan een eeuw lang op de altaartjes hebben gestaan, nadat hun gedachtegoed als een stralende vuurtoren in het midden stond van een revolutionaire wervelwind die besloten werd met de meest schaamtelijke der schipbreuken, bieden hun namen geen zekerheid meer. Erger nog, ze veroorzaken werkelijk allergische reacties van afstoting. Blanqui, de vergeten Blanqui, de grootste exponent van het autoritaire insurrectionalisme, heeft dus alle karakteristieken om een alternatieve, originele, charismatische historische referentie te zijn, opgewassen tegen de tijden die komen.

Marx, die de stoelen van het British Museum warm hield om uit te leggen wat de meerwaarde of de formele accumulatie van het kapitaal was, of Lenin, die aan het werk was binnen het centraal comité om de triomf van de partijbureaucratie voor te bereiden, ja kom, eerlijk nu, daar geraak je toch niet meer opgehitst van. Maar Blanqui, bij God, wat een man! Voor alles wakkert zijn leven – als protagonist van vele insurrectionele pogingen en met zijn bijnaam l’Enfermé omdat hij meer dan 33 jaar doorbracht achter de muren van de Franse keizerlijke gevangenissen – een zodanig onvoorwaardelijk respect aan dat elke eventuele kritiek als die al niet tot stilte verstomd, dan op z’n minst toch voorzichtig wordt. En dan is er nog zijn overweldigende militantie, zijn onophoudelijke agitatie, zijn fervente activisme… en dat tezamen met een eenvoudige en onmiddellijke taal die een communistisch gedachtegoed uit, wars van het koude marxistische economisme. En daarin gaat zijn huidige aantrekkingskracht schuil. Met het gebrek aan kritische terughoudendheid in deze tijden waar de ogen slechts scherp worden om allianties te vinden, kan Blanqui zowat door iedereen op prijs gesteld worden: zowel de anti-autoritairen, bronstig naar actie als de autoritairen, bezorgd om discipline. Blanqui zou de perfecte synthese kunnen zijn tussen twee geestesgesteldheden die in de loop van de geschiedenis de revolutionaire beweging hebben gevormd en verdeeld. Indertijd werd hij een beetje uit de hoogte behandeld door de geleerden van het wetenschappelijke socialisme (die er de goede bedoelingen van erkenden maar hem uiteindelijk dezelfde gebreken verweten die ze aan Bakoenin toeschreven), en beslist tegengegaan door de vijanden van alle autoriteit, vandaag – in volle eclips van de betekenis – heeft hij alle kaarten in handen om revanche te nemen.

Want Blanqui is niet alleen de permanente en vurige agitator (en hier vallen de libertairen flauw van emotie), hij is ook de permanente en berekende leider (en hier barsten de wezen van het staatscommunisme in applaus uit). Hij verenigt de moed van de barricades met het martelaarschap van de gevangenis, zijn blik verdwaald in het afspeuren van het hemelgewelf. Hij formuleert geen grootse theoretische plannen, ingewikkelde uitwerkingen die onverteerbaar zijn voor de chirurgisch verkleinde magen van vandaag, hij geeft instructies om de wapens op te nemen. Hij pretendeert geen diepgaande gedachten, de onmiddellijke reflexen volstaan. Hij is de perfecte revolutionaire icoon om vandaag de dag op de markt te brengen. Vandaag, nu de ingewikkelde systemen om je hoofd over te breken niet meer welkom zijn. Vandaag wil men intense emoties om te consumeren. En Blanqui verveelt niet met abstracte discours, hij is een praktisch mens, direct, iemand om naar te luisteren, waarvan iedereen iets te leren heeft en waar je dus op kan vertrouwen. Daarom is hij van onder het stof gehaald. Want tussen de zovele reïncarnaties van de revolutionaire dictatuur, is hij de enige die mogelijks kan doorgaan voor een fascinerende avonturier in plaats van onmiddellijk over te komen als een smerig machtsfiguur. Met anderhalve eeuw vertraging slaat Blanqui iedereen aan de haak. Mocht hij een profiel op Facebook hebben, dan zou het een stormloop van “Vind ik leuk” zijn.

 

Zijn herwaardering wordt ook aantrekkelijk gemaakt doorheen zijn actietactiek. Heeft u recentelijk de arbeidersklasse de bourgeoisie zien terroriseren, of eerder de glimlach zien verschijnen op het gelaat van de industriebons? Heeft u opgemerkt hoe het proletariaat aan het vechten is voor haar eigen emancipatie, of eerder hoe het de politie de heethoofden aanwijst? Heeft u de straten horen denderen door de opstandige massa’s die optrekken tegen het paleis, of heeft u daarentegen de massa’s hooligans naar het stadion zien hollen? Heeft u de uitgebuiten zien warmlopen voor de radicale sociale kritiek, of eerder voor de laatste aflevering van een reality-show? In zijn memoires herinnert Bartolomeo Vanzetti zich de nachtelijke uren die hij doorbracht met boeken, uren die hij vastberaden afhield van de slaap die de inspanningen van het werk moest herstellen. Hij was een arbeider, maar hij wijdde zijn vrije tijd aan studie: om te begrijpen, om te weten, om geen grondstof te blijven in de radertjes van het kapitaal (of van de dialectiek van één of andere intellectueel). Vandaag hebben de donkere kringen onder de ogen van de arbeiders een heel andere oorzaak. Wie wil deelnemen aan de sociale oorlog die aan de gang is, moet dus met deze evidentie rekening houden: de revolutie kan de massa’s geen reet schelen.

Maar dit is niet langer een probleem, nietwaar, en weet u waarom? Omdat de massa’s Blanqui geen reet konden schelen. Hij had die niet nodig, voor hem volstond een scherpzinnige, bekwamen, gedreven elite die klaarstond om een goed gekalibreerde slag toe te brengen op het gepaste moment. De massa’s zouden zich zoals gewoonlijk wel aanpassen aan de voldongen feiten. Ook pal in het midden van de huidige kapitalistische vervreemding, zijn er dus nog mensen die opnieuw hoop bieden. De leninisten zijn voorbijgestreefd, die beseften immers maar niet dat het tot niets meer dient om de grote partij te vormen die in staat is om de uitgebuiten te gidsen. Ook de anarchisten zijn voorbijgestreefd, want die zijn zodanig dom dat ze niet beseffen dat er geen bewustzijn meer is om te verspreiden onder de uitgebuiten teneinde te vermijden dat ze in handen van partijen vallen. Wat tot iets dient, is wat er zijn kan, met andere woorden, een handvol samenzwerende subversievelingen die in staat zijn om de juiste strategie uit te werken en toe te passen. Een snelle ingreep en de sociale kwestie is opgelost! Het moet toegegeven worden – Blanqui is de juiste man die op het juiste moment herontdekt wordt door mensen die niet anders dan juist kunnen zijn.

Zodanig juist dat ze er goed voor opletten om het gedachtegoed van Blanqui in zijn substantie in overweging te nemen, gedachtegoed dat in vele aspecten verwerpelijk is. En dat weten ze. Zijn imaginaire vrienden zijn er zich zodanig van bewust dat ze zich beperken tot het laten bezinken van de kracht, de stijl, het gevoel, de overtuiging (allemaal bewonderenswaardige kwaliteiten, daar niet van, maar die niet veel zeggen over de persoon die ze heeft: ook Napoleon, Mussolini of Bin Laden zouden daar prat op kunnen gaan). Maar zijn reële vrienden, zoals de communard Casimir Bouis (die trouwens zijn uitgever was), twijfelden niet over het aanzien van Blanqui: “hij is de meest complete staatsman, bezeten door de revolutie.” De blanquistische kracht, de blanquistische stijl, het blanquistische gevoel, de blanquistische vastberadenheid – alles staat in dienst van een erg precies politiek project: de verovering van de macht. En zelfs zijn verbazingwekkende boek over astronomie, zelfs zijn meest in de roos geschoten slogan, zullen dat nooit kunnen verdoezelen.

 

Wie weet waarom deze flinke mensen die de lof willen zingen van een samenzweerder uit het verleden, van een man van de barricades, een vervolgde, een invloedrijke persoon van de beweging, niet gedacht hebben aan Bakoenin? Want Bakoenin wordt toch herinnerd als de demon van de revolte, als een synoniem voor absolute vrijheid, terwijl Blanqui eerder synoniem is voor dictatuur. Bakoenin wilde “de anarchie”, Blanqui kondigde de “geregelde anarchie” aan (is dat bijvoeglijk naamwoord niet verrukkelijk soms?). Bakoenin had het over “de ontketening van de kwade hartstochten”, Blanqui schreef voor dat “er geen enkel militair manoeuvre mag plaatsvinden vóór het bevel van de leidinggevende commandant, de barricades alleen mogen opgeworpen worden op de plaatsen die hij aangeeft” (die zelfverkozen leidinggevende commandant, ça va sans dire, was uiteraard hijzelf). Bakoenin zocht onder de samenzweerders iemand die “er volledig van overtuigd was dat de komst van de vrijheid onverenigbaar is met het bestaan van staten. Hij moest daarom de vernietiging willen van alle staten, tezamen met alle religieuze, politieke en sociale instellingen zoals de officiële Kerken, de permanente legers, de ministeries, de universiteiten, de banken, de aristocratische en bourgeoismonopolies. Dit heeft tot doel toe te laten dat op de ruïnes van dit alles eindelijk een vrije samenleving kan ontstaan, die niet langer zoals vandaag van bovenaf naar beneden en van het centrum naar de periferie georganiseerd wordt door middel van gedwongen eenheid en concentratie, maar daarentegen vertrekkende vanuit het vrije individu, de vrije associatie en de autonome commune, van beneden naar boven en van de periferie naar het centrum georganiseerd wordt doorheen de vrije federatie.” Blanqui zocht iemand die op de vraag “Zal het volk onmiddellijk na de revolutie zichzelf kunnen regeren?” antwoordde “Aangezien de sociale staat gecorrumpeerd is, zijn er heldhaftige remedies nodig om te komen tot een gezonde staat: het volk zal voor een bepaalde tijdspanne nood hebben aan een revolutionaire macht”. Iemand die misschien zijn onmiddellijke maatregelen in werking zou stellen, zoals “Vervanging door een (statelijk) monopolie van elke uitgewezen baas… Samenvoeging in het domein van de staat van alle roerende en onroerende goederen van de kerken, gemeenschappen en congregaties van beide seksen, en die van hun stromannen… Reorganisatie van het personeel van de bureaucratie… Vervanging van alle directe en indirecte bijdrages door een directe, progressieve belasting op erfenissen en inkomens… Regering: Parijse dictatuur.”

In zoverre Bakoenin en Blanqui in de loop van de 19de eeuw niet slechts twee revolutionairen zoals vele anderen geweest zijn, in zoverre hun naam zoveel faam gekregen heeft, is dat omdat ze de belichaming zijn van twee verschillende en tegengestelde ideeën, omdat ze voor de hele wereld twee mogelijke richtingen van de opstand hebben voorgestaan: de anarchistische opstand tegen de staat, en de autoritaire opstand ten voordele van een nieuwe staat (eerst republikeins, later socialistisch en tenslotte communistisch).

Ook vandaag de dag betekent het zich nauw verbonden voelen met de ene of de andere op zich een ondubbelzinnige keuze. Voor Blanqui is de staat het stuwende instrument voor de sociale transformatie aangezien “het volk niet uit de horigheid kan geraken behalve doorheen de impuls van de grote maatschappij van de staat, en je moet veel moed hebben om het tegendeel te beweren. De staat heeft in feite geen andere legitieme missie dan deze.” In zijn kritiek op de proudhoniaanse ideeën beweerde hij dat eender welke theorie die het proletariaat wilde ontvoogden zonder toevlucht te nemen tot de autoriteit van de staat hem een hersenschim leek; erger nog, het was “misschien” wel verraad. Niet dat hij zo naïef was dat hij illusies koesterde. Hij was er eenvoudigweg van overtuigd dat “hoewel elke macht van haar natuur uit onderdrukkend is”, het proberen doen zonder staat of zich er regelrecht tegen te kanten, gelijkstond met “de proletariërs ervan te overtuigen dat het makkelijk zou zijn om te wandelen met de handen en voeten gebonden.”

En wie de herwaardering van l’Enfermé zou willen binnensmokkelen als belangstelling voor de praktijk van de opstand, als technische nood zonder samenvallende perspectieven, liegt maar al te goed wetende dat hij aan het liegen is (met uitzondering uiteraard van de libertaire onnozele halzen die het niet waard zijn om een woord aan te wijden). Want Blanqui zocht inderdaad een overeenkomst “op het kapitale punt, ik wil zeggen, op vlak van de praktische middelen, die, alles welbeschouwd, de hele revolutie zijn,” maar hijzelf verborg niet de band die de actie verbindt met het denken: “Maar de praktische middelen worden afgeleid uit de principes en zijn afhankelijk van het oordeel van de mensen en de dingen.” Eén van zijn meest beroemde teksten, de Instructions pour une prise d’armes, die na de situationisten nog zovele jonge intellectuelen, aspirant generaals van een nieuw rood leger, blijft fascineren, is niet alleen maar een handleiding voor opstandelingen. Het is geen toeval dat de tekst reeds in 1931 in het tijdschrift Critique Sociale werd gepubliceerd, niet zozeer aangetrokken door zijn “anachronistische strikt ‘militaire’ kant”, dan wel om de “waarde van deze belangrijke bijdrage tot de kritiek van de anarchistische opstanden” te onderstrepen. In feite zijn deze Instructions een onophoudelijke apologie van de nood aan een autoriteit die in staat is om een einde te stellen aan een vrijheid die als contraproductief beschouwd wordt. Het zijn de bedroevende kreten van een man van de orde die zoveel wanorde aanschouwt – “kleine bendes lopen her en der rond, ontwapenen de wachtkorpsen, pakken buskruit en wapens af van de musketiers. Alles gebeurt zonder overeenkomsten noch leiding, volgens de individuele fantasie.” Het is een aanklacht tegen “het defect van de volkstactiek, de onomstotelijke oorzaak van rampen. Geen enkel algemeen commando, dus geen enkele leiding… De soldaten doen vooral wat hun eigen hoofd hen ingeeft.”

 

Samengevat: als de opstand mislukt ondanks de moed en het enthousiasme van degenen die eraan deelnemen, dan is dat omdat het “aan organisatie ontbreekt. Zonder organisatie is er geen enkele mogelijkheid op succes.” Wat ook wel waar zal zijn, maar hoe verkrijg je dan die organisatie, die coördinatie, die overeenkomst onder de opstandelingen? Doorheen de horizontale verspreiding, die er reeds aan voorafgaat en zo uitgebreid mogelijk is, van een bewustzijn, een aandacht, een intelligentie over de noodzaken van het moment (libertaire hypothese), of doorheen de verticale invoering van één commando dat gehoorzaamheid van allen eist, van die allen die tot op dat moment in de onwetendheid werden gehouden (autoritaire hypothese)? Blanqui geeft uiteraard zijn praktische instructies daarover: “Een militaire organisatie, vooral wanneer het nodig is om die te improviseren op het slagveld, is voor onze partij geen kleine kwestie. Het veronderstelt een leidinggevend commando en, tot op een zeker punt, de gewoonlijke reeksen van officiëlen van alle graden.” Met als doel om komaf te maken met “die rommelige rellen van tienduizend geïsoleerde mensen die op toeval handelen, in wanorde, zonder een unitaire gedachte, ieder in zijn hoek en volgens zijn eigen fantasie”, Blanqui raakt niet uitgeput met het voorschotelen van zijn recept: “Het moet blijvend herhaald worden: de conditio sine qua non van de overwinning is de organisatie, het geheel, de orde en de discipline. Het is moeilijk denkbaar dat de troepen lang weerstand zullen bieden aan een georganiseerde opstand die handelt met het hele apparaat van een regeringskracht.” Dat is dan de blanquistische praktijk van de opstand: een organisatie die meedogenloos is tegenover de vijand maar die in haar midden orde en discipline weet op te leggen naar het model van het apparaat van een regeringskracht.

Zoveel kazernestank wekt bij ons slechts afgrijzen en misprijzen op. Ook al zou er een rode of roodzwarte vlag wapperen, de kazerne blijft altijd een plaats van verplichting en afstomping. De opstand die in plaats van zich met gevierde teugels in vrijheid te ontwikkelen, in de houding zou gaan staan voor een autoriteit, is bij voorbaat verloren, is niets anders dan de voorkamer van een staatsgreep. Gelukkig kan je tegenover deze lugubere mogelijkheid altijd vertrouwen op het dronken makende genot van de revolte die, eens ontketend, in staat is om alle berekeningen van deze bedelstrategen wandelen te sturen.

Maurice Dommanget, die aan Blanqui een heel leven van toewijding geschonken heeft, doet verslag over de sfeer die heerste in Parijs tijdens de insurrectionele poging van 12 maart 1839: “Blanqui probeerde orders te geven, de deserties tegen te houden, de ‘massa te organiseren’, wat een moeilijke opgave was, bijna niemand kende hem. Allen schreeuwden. Allen wilden bevelen. Niemand wilde gehoorzamen. Er vond toen een redelijk levendige en symptomatische ruzie plaats tussen Barbès en Blanqui die tot dan toe nog door niemand opgemerkt was. Barbès beschuldigde Blanqui ervan allen te hebben laten vertrekken, Blanqui beschuldigde Barbès ervan dat hij met al zijn traagheid allen had ontmoedigd en het vertrek van de lafhartigen en de verraders had veroorzaakt.” Toen de opstand uitbrak, toen de normaliteit plots ophield de menselijke mogelijkheden te remmen, toen allen wilden bevelen omdat niemand wilde gehoorzamen, verloren de zogenaamde chefs alle gezaghebbendheid, sloven ze zich zinloos uit om orders te geven en begonnen uiteindelijk onderling ruzie te maken. De wanorde van de hartstochten is altijd het beste en meest doeltreffende antigif geweest tegen de orde van de politiek, en zal dat ook altijd blijven.

 

Misschien is de beste manier om de afgrond te vatten, die de autoritaire opvatting over de insurrectionele actie scheidt van de anti-autoritaire opvatting, wel om ze met elkaar te confronteren in dezelfde periode en historische context. Niets is in dat opzicht leerzamer dan een vergelijking tussen Blanqui en Joseph Déjacque, de Franse anarchist die verbannen werd nadat hij had deelgenomen aan de dagen van 1848. Wat is het organisatorische model dat door Blanqui voorgesteld wordt? Een piramidale, een streng hiërarchische structuur zoals bijvoorbeeld zijn Société des Saisons die voorafging aan de insurrectionele poging van mei 1939: haar eerste element was de week, die bestond uit zes leden en ondergeschikt was aan een zondag; vier weken vormden een maand dat onder bevel stond van een juli; drie maanden vormden een seizoen, dat geleid werd door een lente; vier seizoenen vormden een jaar, dat gecommandeerd wordt door een revolutionair agent; en deze revolutionaire agenten vormden tezamen een geheim uitvoerend comité dat niet gekend was door de andere leden en wiens generalissimus niemand anders kon zijn dan de gewoonlijke Blanqui. Op het cruciale moment toen eindelijk de opstand afgekondigd werd, verspreidde het comité van de Société des Saisons een oproep tot het volk waarin het meedeelde dat “de voorlopige regering militaire leiders gekozen had om de gevechten te leiden; deze leiders komen uit jullie rangen, volg hen! Ze zullen jullie naar de overwinning leiden. Werden gekozen: Auguste Blanqui, leidinggevend commandant…” Dat de daaropvolgende ervaringen hem niet van ideeën hebben doen veranderen, tonen, naast de reeds aangehaalde Instructions pour une prise d’armes van 1868, zijn Société Républicaine Centrale van 1848, net zoals de Phalange en haar clandestiene gevechtsgroepen van 1870. Op geen enkel moment in zijn leven hield Blanqui op met samen te zweren tegen de aan de macht zijnde regering, maar altijd op een militaristische, hiërarchische, centraliserende wijze, altijd met het doel om een comité de salut public te plaatsen aan het hoofd van de staat.

Déjacque daarentegen wees in de noten bij zijn La Question Révolutionnaire (1854) op de mogelijkheid en de dringende noodzaak om over te gaan tot de aanval doorheen geheime sociétés die aanspoorden tot de vorming van kleine autonome groepen: “Dat elke revolutionair onder degenen op wie hij denkt volledig te kunnen rekenen, één of twee andere proletariërs zoals hij kiest. En dat ze in groepen van drie of vier, zonder onderlinge banden en alleen functionerend, zodat de ontdekking van één van die groepen niet leidt tot de arrestatie van alle andere, ageren met een gemeenschappelijk doel: de vernietiging van de oude maatschappij.” Tegelijkertijd herinnerde hij er vanop de bladzijden van zijn krant Le Libertaire (1858) aan hoe dankzij de ontmoeting tussen subversievelingen en gevaarlijke klassen “de sociale oorlog dagelijkse en universele proporties aanneemt… We vullen elkaar aan, wij plebs van de werkplaatsen, met een nieuw element, het plebs van de gevangenissen… Ieder van ons kan blijven rebelleren volgens zijn eigen houding.” Daar waar Blanqui het volk “uitnodigde” om een manoeuvreerbare, omkaderde, gedisciplineerde en gehoorzame massa te blijven onder bevel van de zelfverklaarde chefs, richtte Déjacque zich tot elk proletarisch individu om die aan te sporen tot bevrijdende actie, op basis van de eigen vermogens en houdingen, en samen met de meest affinitaire medeplichtigen. Het verbaast dan ook niet dat diezelfde Déjacque reeds het dictatoriale streven van Blanqui had gebrandmerkt: “De regeringsautoriteit, de dictatuur, of die zich nu keizerrijk of republiek noemt, troon of zetel, redder van de orde of comité de salut public; of die nu vandaag bestaat onder de naam Bonaparte of morgen onder de naam Blanqui; of die nu uit Ham of uit Belle-Ile komt; of die nu als teken een adelaar of een opgezette leeuw heeft…  is niets anders dan de verkrachting van de vrijheid door de gecorrumpeerde viriliteit, door de syfilislijders.”

Ook hier is zich nauwer verwant voelen met de ene of met de andere niet zonder belang en vormt het een onmiskenbare keuze.

 

Er is een ander aspect van Blanqui dat voor een vraatzuchtig aandachtig oog de moeite moet hebben geleken om van onder het stof uit te halen – zijn opportunisme. Blanqui spreidde een zekere desinteresse ten toon voor theoretische kwesties en een sterke bekommernis over de gewoonlijke materiële problemen van de opstand, hij is de pionier van een tendens die vandaag nogal in de mode is in subversieve middens: het tacticisme (een onbevangen toevlucht tot manoeuvres en lapmiddelen om van anderen te verkrijgen wat men wil) in naam van de tactiek (techniek van het gebruik en het manoeuvreren van militaire middelen). Zijn kenners zijn het gewoon om de term ‘eclecticisme’ te gebruiken voor zijn behendige en baatzuchtige sprongen tussen verschillende posities. Zijn opvatting van de opstand als resultaat van een strategische zet, en niet als sociaal feit, bracht hem tot de conclusie dat de doelen alle middelen heiligen. Voor hem telde niet de manier waarop, maar het resultaat, met andere woorden, de effectieve verovering van de politieke macht. Daarom, ondanks zijn voorkeur voor samenzweringen, probeerde hij in 1848 een democratische beweging te leiden die voor verkiezingsdeelname was. Zoals zijn kameraad Edouard Vaillant in herinnering bracht, die toen zijn woordvoerder was op het congres van de Eerste Internationale in London in september 1871: “Het oeuvre van de revolutie was de vernietiging van de obstakels die haar weg belemmeren: haar eerste taak was ‘de bourgeoisie ontwapenen, het proletariaat bewapenen’, het proletariaat bewapenen met alle krachten van de veroverde politieke macht die aan de vijand ontnomen werd. Met dat doel moesten de revolutionairen ten strijde trekken tegen de macht, langs alle wegen tegen haar optrekken: agitatie, actie, parlement enzovoort… De revolutionairen sluiten zich niet op in de “modelgevangenis” van één of ander dogmatisme. Ze hebben geen enkel vooroordeel.”

Dit gebrek aan “vooroordelen” – die in die tijd, voorbij elke beschouwing van ethische coherentie, intuïties waren die ingegeven werden door een minimum aan intelligentie – had Blanqui gebracht tot soms schaamtelijke resultaten. In 1879, enkele jaren nadat hij had gedonderd dat “er komaf moest gemaakt worden met het rampzalige aanzien van de assemblees met beslissingsrecht”, probeerde hij, zonder erin te slagen, om verkozen te worden tot afgevaardigde in Lyon. Om dit roemrijke insurrectionele project te volbrengen, riep hij de hulp in van zijn vriend Georges Clémenceau, toen een radicaal republikeins afgevaardigde, aan wie hij schreef: “Word in de Kamer de man van de toekomst, de chef van de revolutie. Die heeft er geen weten noch kunnen vinden sinds 1830. Het toeval maakt u er één, laat deze kans niet liggen.” Nu, zoals geweten is, maakte Clémenceau inderdaad carrière. Eerst werd hij senator, vervolgens minister van Binnenlandse Zaken en tenslotte tweemaal president van de Raad. Door zijn bloeddorstige onderdrukking van stakingen en revoltes die culmineerden in meerdere proletarische slachtpartijen, door zijn meedogenloze jacht op subversievelingen van alle kleuren en tendenzen, om het dan nog niet te hebben over zijn oorlogszucht tijdens de Eerste Wereldoorlog, veroverde hij de bijnaam “eerste flik van Frankrijk”. Je kan moeilijk zeggen dat Blanqui erg vooruitziend was toen hij juist aan de toekomstige chef van de reactie vroeg om chef van de revolutie te worden! Maar eigenlijk is het helemaal niet zo vreemd. Hij had in Clémenceau de bekwaamheid van een politiek leider, van een generaal herkend. Hij slaagde er echter niet in om te begrijpen dat de macht de graftombe is van de revolutie.

Daarom hebben we geen redenen om hulde te brengen aan het kadaver van deze aspirant dictator. Voorbij misschien die slogan en dat boek, blijft zijn herinnering walging opwekken. Walgelijk zoals zijn streven naar grotere staatsmacht, zijn militaire stijl, zijn kazernegeest, zijn vastberadenheid in camouflagetechnieken (“Zijn vrienden waren ervan overtuigd dat de persoonlijkheid die in hem domineerde die van een generaal was,” schreef die brave Dommanget.) Dat zijn bewonderaars, oude of nieuwe leidertjes van de partij van de statelijke opstand, zijn tombe maar weer openbreken en vol emotie er de uitwasemingen van inademen. Met de aardschokken van vandaag, wie weet of ze niet samen met hun meester bedolven zouden worden – de eeuwigheid onder het slijk.

 

 

(vertaald vanop Finimondo.org, december 2011)

 

 

Pro memoria

 

Louis Auguste Blanqui (1805 – 1881) bracht meer dan dertig jaar van zijn leven in de gevangenis door (vandaar dan ook zijn bijnaam “l’Enfermé“). Niet zozeer omdat hij alle macht wilde vernietigen, maar omdat hij er voortdurend op aasde om zelf de macht te grijpen, in naam van de ontvoogding van het klootjesvolk. Na studies in recht en geneeskunde, sluit Blanqui zich in 1824 aan bij een van de Carbonari groepen, geheime revolutionaire gezelschappen die sterk hebben bijgedragen tot de éénmaking van Italië, met een liberaal en patriottisch programma. De Carbonari groepen liggen aan de basis van het moderne Italiaanse republikeinse nationalisme. In 1830 neemt Blanqui deel aan de Juli-revolutie in Parijs, waarna er een grondwettelijke monarchie gevestigd wordt in Frankrijk. In 1839 vindt er een blanquistisch geïnspireerde opstand plaats in Parijs, waarbij het geheime genootschap Société des Saisons onder leiding van Blanqui het voortouw neemt. Nadien wordt Blanqui eerst ter dood veroordeeld, wat later omgezet wordt in levenslang.

Tijdens de revolutie van 1848, waar het in het proces van de opstand kwam tot een botsing tussen de republikeinse bourgeoisie en het rebelse Parijse proletariaat, wordt Blanqui losgelaten uit de gevangenis. Later zal hij in zijn beruchte ‘Instructions pour une prise d’armes’ het chaotische, gedecentraliseerde karakter van de proletarische opstanden in Parijs zwaar op de korrel nemen: volgens hem kan alleen een gecentraliseerd, gedisciplineerd orgaan de opstand tot een ‘goed einde’ brengen. Blanqui neemt trouwens deel aan deze opstand doorheen het geheime genootschap Société Republicaine Centrale. Nadien wordt hij door de nieuwe bourgeoismacht opgesloten.

In 1865 ontsnapt hij en in 1869 keert hij terug naar Frankrijk na een algemene amnestie. Ondertussen is zijn aanhang fel gegroeid en kan gesproken worden van een blanquistische partij, opgedeeld in verschillende secties.

In 1870 onderneemt Blanqui met zijn kompanen nog twee pogingen tot gewapende opstand: één tijdens een begrafenis van een vermoorde journaliste, en één waarbij een kazerne wordt aangevallen en wapens worden buitgemaakt. Wanneer de spanning in Parijs toeneemt, laat Thiers, het hoofd van de Franse regering, Blanqui op 17 maart 1871 arresteren en opsluiten. Een dag later breekt er in Parijs een algemene opstand uit en ‘begint’ de Parijse Commune. Blanqui zit in de cel, maar wordt alsnog verkozen tot lid van de Commune. Een voorstel tot gevangenenruil wordt door de centrale regering geweigerd. Marx zal later beweren dat het een Blanqui was die de Commune miste; met andere woorden, een autoritaire chef die de opstand slechts in militaire en politieke termen ziet en naar centralistisch model organiseert.

Net als zovele anderen, wordt Blanqui na de nederlaag van de Commune gedeporteerd. Pas in 1879 komt hij opnieuw vrij en twee jaar later sterft hij.

Blanqui, of beter, de ideologie van het blanquisme, wordt vaak aangehaald als schoolvoorbeeld van een autoritaire visie op revolutie: die moet doorgevoerd worden door een kleine groep van geheime gezworenen doorheen een machtsgreep. Eens die macht veroverd, zullen de gezworenen dan via de staat het socialisme invoeren. Het is niet moeilijk om te zien hoe de bolsjevistische opvattingen over revolutie die onder meer door Lenin uitgewerkt werden, een voortzetting zijn van de blanquistische traditie.

 

 

 

Annex 1: Brief aan het anarchistische galaxie

Wednesday, January 23rd, 2013

Ongevraagd dringen we met deze brief binnen in een debat dat niet het onze is. En dat ook nooit het onze zal zijn, omdat het gesteld wordt op een terrein dat steriel blijft voor de zoektocht naar insurrectionele perspectieven en de anarchistische ideeën en activiteiten die hun aandacht daarop willen richten. Waarom dan een brief schrijven, zou je je kunnen afvragen. Omdat er niets is dat ons meer ter harte gaat dan de bevrijdende en vernietigende revolte, dan de strijd voor de subversie van het bestaande; omdat we ons altijd zullen blijven herkennen in alle kameraden die vanuit een verlangen naar vrijheid over gaan tot de aanval tegen de structuren en mensen van de overheersing; omdat er maar weinig dingen zijn die ons zo nauw aan het hart liggen als de individuele wilskracht, het streven naar coherentie en de moed om ondanks alles het vuur aan de lont te proberen leggen. Beschouw deze premissen niet als een poging om stroop rond de mond te smeren; het is oprecht, net zoals onze bezorgdheid over de vrijwillige amputatie van het anarchistische strijdveld dat is.

Laten we er geen doekjes om winden: meer dan ooit is er nood aan de vernietigende interventie van anarchisten, meer dan ooit is het de moment om kracht bij te zetten, te zoeken naar mogelijkheden en hypotheses om de revolte te laten uitdeinen en de opstand mogelijk te maken, en zo de mogelijke omwenteling van deze wereld te versnellen. Maar die nood en die drang ontslaat ons niet van de verplichting om na te denken over wat, waar, hoe en waarom.

Om dan maar onmiddellijk met de deur in huis te vallen: welke redenen bewegen anarchisten ertoe (van autoritairen hebben we geen problemen om dat te vatten) om hun daden systematisch op te eisen en te ondertekenen met intussen wereldwijde letterwoorden? Wat brengt hen ertoe om te geloven dat het moeilijke vraagstuk van perspectieven opgelost kan worden door een opeising te plaatsen op internet of op te sturen naar de media? Wat maakt dat zulke weg opgaan geassocieerd wordt met een verregaande vorm van coherentie tussen denken en doen, tussen ideeën en praktijken, terwijl het in feite slechts de illusoire opheffing is van de permanente spanning die ertussen zou moeten bestaan en die zonder twijfel de drijvende kracht is achter de anarchistische strijd?

Deze om zich heen grijpende manie riskeert snel alle andere daden van revolte in de schaduw te stellen. Niet alleen daden van anarchisten die de bittere en altijd teleurstellende pil van de opeising vrolijk aan zich voorbij laten gaan, maar ook en misschien wel vooral, meer algemeen van dat hele panorama aan rebellie en sociale conflictualiteit. Misschien is dat wel één van de ‘redenen’ die ons heeft aangezet tot het schrijven van deze tekst. Beu om te ervaren en vast te stellen hoe het anarchistische strijdveld, het strijdveld van aanval, sabotage en onteigening alsmaar meer geassimileerd wordt met een letterwoord en als zodanig een politieke representatie; beu om te zien hoe de horizonten valselijk verkleinen tot twee slechts in schijn tegengestelde keuzes: of je kiest voor het ‘brave’ anarchisme, gaat achter assemblees, sociale bewegingen en basisvakbonden aanlopen; of je kiest voor het ‘stoute’ anarchisme, en dan wordt je vriendelijk verzocht om je bijdrages tot de sociale oorlog te bestempelen met één of ander letterwoord – en zo niet, zal iemand anders dat wel in jouw plaats doen.

Want ook wij gaan in de aanval. Ook wij trekken erop uit om de machine van kapitaal en autoriteit te saboteren. Ook wij kiezen ervoor om geen bedelpositie te aanvaarden en de noodzakelijke onteigening niet uit te stellen tot morgen. Alleen denken wij dat onze activiteiten simpelweg deel uitmaken van een bredere sociale conflictualiteit, een conflictualiteit die geen nood heeft aan opeisingen en letterwoorden. Alleen denken wij dat slechts wanneer daden anoniem zijn, ze werkelijk door iedereen kunnen toegeëigend worden. Alleen denken wij dat een stempel drukken op aanvalsacties ze katapulteert van het sociale veld naar het politieke veld, naar het veld van de vertegenwoordiging, de delegatie, de acteurs en de toeschouwers. En zoals reeds vaak gezegd werd in dit soort debatten, volstaat het niet om te verkondigen de politiek te weigeren: de weigering van de politiek zit net onder meer in de coherentie tussen middelen en doelen en niets is een zodanig politiek instrument als de opeising, net zoals de lidkaart, het programma, de beginselverklaring dat zijn.

Daarenboven treedt er een verwarring op die wij wederom aan de kaak willen stellen, want het valt ons té zwaar om nog langer toe te kijken op de invullingen die momenteel alsmaar meer gegeven worden aan concepten als bijvoorbeeld informaliteit. De keuze voor een informele, autonome anarchistische beweging is een keuze die de weigering van vaste structuren, van ledenorganisaties, van centraliserende en éénmakende federaties betekent; en dus ook van vast terugkerende ondertekeningen, zo niet van alle ondertekeningen. Het is de weigering van het opstellen van programma’s, de verbanning van alle politieke middelen; en dus ook van programmatorische opeisingen die pretenderen campagnes te kunnen uitstippelen. Het is de weigering van alle centralisatie; en dus ook van alle overkoepelende structuren, of die zich nu digitaal ‘informeel’ dan wel formeel verklaren. In positieve zin is de informaliteit voor ons een onbegrensd en niet-omlijnd archipel van autonome groepen en individuen, die onderling banden smeden gebaseerd op affiniteit en wederzijdse kennis, en op basis daarvan kunnen beslissen om gemeenschappelijke projecten te verwezenlijken. Het is de keuze voor kleine, affinitaire kringen die van hun eigen autonomie, perspectieven en actiemethodes de basis maken voor het opbouwen van banden met anderen. Informele organisatie heeft dus niets van zien met federaties of letterwoorden. En wat deed sommige kameraden niet alleen spreken over informaliteit, maar ook over ‘insurrectionalisme’? Met het risico om afbreuk te doen aan het wijde panorama van ideeën, analyses, hypotheses en voorstellen, zouden we kunnen stellen dat het ‘insurrectionalisme’ de methodes en perspectieven behelst die, vanuit een compromisloos anarchisme, willen bijdragen tot ‘insurrectionele situaties’. Het arsenaal van methodes waarover anarchisten daartoe beschikken, is enorm. Daarenboven betekent het gebruik van methodes (agitatie, aanval, organisatorische voorstellen etc.) op zich maar bitter weinig: slechts in een uitgedachte en evoluerende projectualiteit krijgen ze betekenis in de strijd. Een staatsgebouw in brand steken is zonder twijfel altijd een goede zaak, maar betekent daarom nog niet dat het op zich ingeschreven wordt in een insurrectioneel perspectief. En dat gaat nog minder op voor de keuze om de aanvallen bijvoorbeeld vooral te richten tegen eerder centrale, mediatieke doelwitten met de daarop volgende geloofsbelijdenis. Niet toevallig werd er op verschillende momenten van insurrectionele projectualiteiten vooral de nadruk gelegd op bescheiden, reproduceerbare, anonieme aanvalsacties tegen de alsmaar meer gedecentraliseerde structuren en mensen van de overheersing, of op de noodzaak aan gerichte sabotage van de infrastructuren die geen nood hebben aan mediatieke echo’s om hun doel, de verlamming van bijvoorbeeld de transport, data- en energiestromen van de macht, te bereiken.

Het lijkt ons dat er achter de huidige manie van opeisingen niet al té veel perspectieven schuilgaan, of alleszins, we hebben moeite om ze te achterhalen. In feite, en daarmee willen we op geen enkele manier afdoen aan de oprechte en moedige rebellie van die kameraden, lijkt het wel of er vooral naar erkenning gestreefd wordt. Een erkenning door de vijand, die snel haar lijstjes met terroristische organisaties zal aanvullen, betekent vaak het begin van het einde: de vijand zet zich dan in gang om een deel van de conflictualiteit af te zonderen van de bredere conflictualiteit, de isolatie die niet alleen de voorbode is van de repressie (en eigenlijk doet dat er nog niet zoveel toe, de repressie is er altijd – ver van ons om te gaan janken over het feit dat anarchistische activiteiten door de macht altijd met argusogen gevolgd, en dus vervolgd worden), maar is vooral, en dat is het belangrijkste, het beste middel om eventuele besmetting tegen te gaan. In de huidige toestand van het sociaal lichaam, dat ziek en aan het verrotten is, kan de macht zich niets liever wensen dan een duidelijk herkenbaar en aflijnbaar mes dat wat probeert te kerven, en vreest ze niets meer dan een virus dat op ongrijpbare en dus oncontroleerbare wijze riskeert het hele lichaam aan te tasten. Of vergissen we ons en gaat het eerder over erkenning door de uitgebuiten en uitgeslotenen? Maar zijn wij als anarchisten net niet tégen elke vorm van delegatie, van lichtende voorbeelden die vaak vooral de eigen berusting legitimeren? Zeker, onze praktijken kunnen aanstekelijk werken, onze ideeën trouwens nog veel meer, maar alléén wanneer ze de verantwoordelijkheid om te handelen terugwerpen op elk individu afzonderlijk, wanneer ze de berusting aan de kaak stellen als zijnde een individuele keuze. De harten doen ontvlammen, zeker, maar wanneer ze niet over de zuurstof van de eigen overtuiging beschikken, zullen ze snel doven en volgt er, in het “beste” geval, alleen nog wat applaus voor de martelaren in spe. En dan nog, want nu de politieke bemiddeling (partijen, vakbonden, reformisme) stilaan uitgeteld geraakt en feitelijk voorbijgestreefd is, nu de woede zich vrijelijk kan uitstrekken naar alles wat het leven verwoest, zou het werkelijk al te ironisch zijn moesten de tegenstanders van de politiek bij uitstek, de anarchisten, de fakkel van de vertegenwoordiging overnemen en, in navolging van de autoritaire voorgangers, de sociale conflictualiteit scheiden van de onmiddellijke subversie van alle sociale rollen. En het doet er niet toe of ze dat nu willen doen door aan de kop te gaan lopen van sociale bewegingen, het hoge woord te voeren in volksassemblees of als specifieke gewapende groep.

Of gaat het over een streven naar ‘coherentie’? Anarchisten die de zoektocht naar coherentie inruilen voor tactische akkoorden, misselijkmakende allianties en strategische scheidingen tussen de middelen en de doelen, zijn er jammer genoeg altijd al geweest. Een anarchistische coherentie zit ongetwijfeld onder meer in de ontkenning van dat alles. Maar daarmee is nog niet gezegd dat bijvoorbeeld een bepaalde conditie van ‘clandestiniteit’ coherenter zou zijn. Wanneer clandestiniteit niet langer gezien wordt als een noodzaak, hetzij omdat de repressie jacht maakt of omdat anders bepaalde acties onmogelijk te verwezenlijken vallen, maar als een soort van summum van revolutionaire activiteit, blijft er van het beruchte a-legalisme nog maar weinig overeind. In plaats van, voorbij wet en gebod, de coherentie na te streven en dus de confrontatie aan te gaan, wordt het legalisme gewoon omgekeerd tot ‘illegalisme’ waar, net zoals bij het legalisme, het subversieve karakter van activiteiten gekwantificeerd en afgemeten wordt aan hoe veel gevangenisstraf je ervoor zou kunnen krijgen. De weigering van het legalisme is zeker niet hetzelfde als de absolute keuze voor het ‘illegalisme’. Het volstaat misschien om een makkelijke parallel te maken met de sociale situatie in Europa om zich daar een beeld van te vormen: het is niet omdat er zich duizenden mensen in een feitelijk ‘clandestiene’ situatie bevinden (sans-papiers), dat die daarmee ook automatisch en objectief een bedreiging vormen voor het legalisme en aldus kunnen gebombardeerd worden tot ‘revolutionaire subjecten’. Waarom zou dat anders zijn voor anarchisten die zich in de conditie van clandestiniteit bevinden?

Of gaat het over de vijand angst aanjagen? Zoals wel vaker terugkomt in opeisingen, zijn er blijkbaar anarchisten die geloven dat ze de macht angst kunnen aanjagen door bedreigingen te uiten, foto’s van wapens te publiceren of bommetjes te laten ontploffen (en laten we het maar niet hebben over de abjecte praktijk om bombrieven in het rond te sturen). Tegenover de dagelijkse slachtpartijen die de macht organiseert komt dat wel bijzonder naïef over, zeker voor de vijanden van de macht die zich geen illusies koesteren over meer begripvolle machthebbers, vermenselijkt kapitalisme, eerlijkere verhoudingen binnen het systeem. Als er al iets is dat de macht vreest, ondanks al haar arrogantie, dan is het wel de verspreiding van de revolte, de uitzaaiing van de ongehoorzaamheid, de ongecontroleerde ontvlamming van de harten. En uiteraard zullen de bliksems van de repressie de anarchisten die daartoe willen bijdragen niet sparen, maar dat bewijst op geen enkele manier hoe ‘gevaarlijk’ wij wel zijn, het zegt misschien alleen iets over hoe gevaarlijk het zou zijn wanneer onze ideeën en praktijken zich verspreiden onder de uitgesloten uitgebuiten.

Het blijft ons dan ook verbazen hoe weinig de idee van een soort van schaduw de hedendaagse anarchisten, die niet willen berusten, afwachten of massa-organisaties willen opbouwen etc., nog kan bekoren. Vroeger gingen we er prat op: er alles aan doen om het moeras van de sociale conflictualiteit te laten uitdeinen en het zo ondoordringbaar te maken voor de krachten van de repressie en de recuperatie. We gingen niet op zoek naar het licht van de schijnwerpers, noch naar de roem van strijders: in de schaduw, aan de duistere zijde van de samenleving, leverden wij onze bijdrage aan de verstoring van de normaliteit, aan de anonieme destructie van de structuren van de controle en de repressie, aan de ‘vrijmaking’ doorheen sabotage van tijd en ruimte opdat de sociale revoltes konden voortwoeden. En verspreidden we trots onze ideeën, op een autonome wijze, zonder beroep te doen op mediatieke echo’s, ver van het politieke spektakel, ook “oppositioneel”. Een agitatie die er niet naar streefde om gefilmd te worden, erkend te worden, maar overal probeerde om de rebellie aan te wakkeren en in die gedeelde revolte, banden te smeden met andere rebellen.

Vandaag lijkt het erop dat niet weinig kameraden de makkelijke oplossing van een identiteit verkiezen boven de verspreiding van ideeën en de revolte, en die aldus bijvoorbeeld affinitaire relaties gaan reduceren tot een aansluiten bij iets. Uiteraard is het makkelijker om uit de rekken van de militante markt der meningen kant-en-klare producten te nemen en te consumeren, eerder dan een eigen strijdparcours te ontwikkelen dat ermee breekt. Uiteraard is het makkelijker om zichzelf een illusie van kracht te geven door een gedeeld letterwoord, dan om onder ogen te zien dat de ‘kracht’ van de subversie schuilgaat in de mate en manier waarop ze het sociale lichaam kan aantasten met bevrijdende praktijken en ideeën. Identiteit en ‘frontvorming’ bieden misschien de zoete illusie iets te betekenen, vooral dan in het spektakel van de communicatietechnologieën, maar ruimt niet het minste obstakel uit de weg. Meer nog, het vertoont alle ziektesymptomen van een weinig anarchistische opvatting over strijd en revolutie, die tegenover de mastodont van de macht op symmetrische wijze een illusoire anarchistische mastodont denkt te kunnen plaatsen. Het onvermijdelijke gevolg is dan ook het alsmaar verder vernauwen van de horizon tot weinig interessante navelstaarderij, wat schouderklopjes hier en daar en de opbouw van een kader van exclusieve zelfreferentie.

Het zou ons niet verbazen moest deze manie de autonome anarchistische beweging nog wat meer verlammen wanneer het gaat over onze bijdrage tot alsmaar frequentere, spontane en destructieve revoltes. Opgesloten in de zelfpromotie en zelfreferentie met een communicatie die gereduceerd is tot het publiceren van opeisingen op het internet, lijkt het er niet op dat anarchisten veel zullen kunnen doen (de obligate enkele ontploffingen en brandstichtingen daargelaten, vaak tegen doelwitten die de revolterenden zelf reeds heel goed aan het vernietigen zijn) wanneer de boel ook bij hen in de buurt ontploft. Hoe dichter we lijken te komen bij de mogelijkheid van opstanden, hoe tastbaarder die mogelijkheden worden, hoe meer anarchisten zich blijkbaar niet meer willen bezig houden met opstand. En dat geldt evengoed voor degenen die zich verdrinken in het spelen van de rol van een afgestorven links als degenen die zich aan het opsluiten zijn in één of ander ideologie van de gewapende strijd. Maar waar hebben we het eigenlijk over als we over insurrectionele perspectieven en opstand praten? Het gaat alleszins zeker niet over een loutere vermenigvuldiging van het aantal aanvalspraktijken, en nog minder wanneer die de neiging vertonen om het exclusieve terrein van anarchisten met hun fronten te (willen) worden. Veel meer dan een enkelvoudig gewapend duel met de Staat, is de opstand de meervoudige breuk met de tijd, ruimte en rollen van de overheersing, een noodzakelijkerwijze gewelddadige breuk, die het begin kan betekenen van een subversie van de sociale verhoudingen. In die zin is de opstand veeleer een sociale ontketening die verder gaat dan een veralgemening van de revolte of van de rellen, maar in haar negatie reeds het begin van een nieuwe wereld in zich draagt, of alleszins zou moeten dragen. Het is vooral de aanwezigheid van een dergelijke utopische spanning die enige vaste houvast biedt tegen de terugkeer van de normaliteit en het herstel van de sociale rollen na het grote feest van destructie. Het moge dus duidelijk zijn dat de opstand niet een louter anarchistische aangelegenheid is, hoewel onze bijdrage eraan, onze voorbereiding ervan, onze insurrectionele perspectieven, zonder twijfel belangrijk en misschien in de toekomst wel doorslaggevend zouden kunnen zijn om de ontketening van de negatie te duwen in bevrijdende richting. Reeds a priori afzien van deze moeilijke kwesties, die in een wereld die alsmaar instabieler aan het worden is juist terug op de voorgrond zouden moeten treden, door onszelf op te sluiten in één of ander identitair getto en de illusie te koesteren ‘kracht’ te ontwikkelen door gemeenschappelijke ondertekeningen en ‘eenmaking’ van de anarchisten die bereid zijn om tot de aanval over te gaan, wordt dan ook onvermijdelijk de ontkenning van alle insurrectionele perspectieven.

Om terug te keren naar de wereld van fronten en letterwoorden, zouden we als teken aan de wand van de nakende opsluiting in een kader van exclusieve zelfreferentie, bijvoorbeeld de obligate verwijzingen naar gevangen strijdmakkers kunnen aanhalen. Het lijkt erop dat eens kameraden door de Staat opgesloten worden, ze niet langer kameraden zijn zoals wijzelf, maar vooral ‘gevangen’ kameraden. De posities in dit reeds moeilijke en pijnlijke debat worden zo vastgelegd op een manier die slechts twee uitwegen kan hebben: ofwel de absolute verheerlijking van onze gevangen kameraden, ofwel de absolute degout die al snel kan verzanden in een verzaken aan het vormgeven en belichamen van solidariteit. Heeft het nog zin om te blijven herhalen dat onze gevangen kameraden niet boven of onder de andere kameraden buiten staan, maar gewoon ertussen? Is het niet opvallend dat ondanks vele strijden tegen de gevangenis, de huidige wending weer komt aandraven met ‘politieke’ gevangenen en verzaakt aan een meer algemeen perspectief van strijd tegen de gevangenis, het gerecht,…? Eigenlijk riskeren we zo om te voltooien wat de Staat reeds in de eerste plaats probeerde te verwezenlijken door onze kameraden op te sluiten: door er abstracte, te verheerlijken en centrale referentiepunten van te maken, isoleren we ze van het geheel van de sociale oorlog. In plaats van naar manieren te zoeken om de banden van solidariteit, affiniteit en medeplichtigheid over de muren heen te onderhouden, door alles pal middenin de sociale oorlog te plaatsen, verschrompelt de solidariteit tot het vernoemen van de namen aan het einde van een opeising. Dit genereert daarenboven een kwalijke cirkelbeweging zonder al te veel perspectief, een opbod van aanvalsacties die ‘opgedragen’ worden aan anderen eerder dan hun kracht te halen uit zichzelf en uit de keuze van het wanneer, hoe en waarom te interveniëren in gegeven omstandigheden.

Maar de logica van het gewapende-strijdisme is onstuitbaar. Eens in gang gezet, valt er jammer genoeg nog maar weinig tegen in te brengen. Allen die zich niet aansluiten en er de verdediging van opnemen, worden gelijkgesteld met kameraden die niet willen handelen of aanvallen, die de revolte willen onderwerpen aan berekeningen en massa’s, die slechts willen afwachten en afwijzend staan tegenover de drang om hier en nu het vuur aan de lont te leggen. In de misvormende spiegel wordt de weigering van de ideologie van de gewapende strijd de weigering van de gewapende strijd tout court. Uiteraard is er niets minder waar, maar daar zijn nog amper oren naar, daarover wordt de discussieruimte drooggelegd. Alles wordt gereduceerd tot een blokdenken, voor of tégen, en het volgens ons meer interessante pad, het uitbouwen van insurrectionele projectualiteiten, verdwijnt naar de achtergrond. Tot heugenis van zowel de formele libertairen en pseudo-radicalen als van de repressieve krachten, die niets liever hebben dan dat dit moeras drooggelegd wordt.

Want wie wil er heden ten dage nog discussiëren over projectualiteiten wanneer het enige ritme dat aan de strijd lijkt gegeven te worden, de optelsom van het aantal op internet opgeëiste aanvallen wordt? Wie is er op zoek naar een perspectief dat méér wil doen dan gewoon wat slagen uitdelen? Geen enkele twijfel trouwens daarover: het uitdelen van slagen is noodzakelijk, hier en nu, en met alle middelen die we gepast en opportuun achten. Maar de uitdaging van het ontwikkelen van een projectualiteit, die zich richt op het proberen ontketenen, doen uitdeinen of verdiepen van insurrectionele situaties, eist wel wat meer dan het vermogen om slagen toe te brengen. Het vereist de ontwikkeling van eigen ideeën en niet het klakkeloos napraten van wat anderen zeggen; de kracht om een reële autonomie te ontwikkelen in termen van strijdparcours en vermogens; de langzame en moeilijke zoektocht naar affiniteiten en het uitdiepen van wederzijdse kennis; een zekere analyse van de sociale omstandigheden waarin we handelen; de moed tot het uitwerken van hypotheses voor de sociale oorlog om niet langer achter de feiten, of achter onszelf, aan te hollen. Kortom: het eist niet alleen het vermogen om bepaalde methodes te kunnen gebruiken, maar vooral de ideeën over hoe, waar, wanneer en waarom die te gebruiken, en dan nog vooral in combinatie met een hele waaier aan andere methodes. Zo niet zullen er niet langer anarchisten overblijven, maar slechts een hele waaier aan vastomlijnde rollen: propagandisten, krakers, gewapende strijders, onteigenaars, schrijvers, ruitenbrekers, relschoppers enzovoort. Niets zou minder pijnlijk zijn om tegenover de mogelijkheid van een komende sociale storm, zodanig ontwapend te zijn dat elkeen nog slechts beschikt over één specialiteit. Niets zou minder kwalijk zijn om in explosieve sociale situaties te moeten vaststellen dat de anarchisten té veel in hun eigen tuintje bezig zijn om werkelijk iets bij te dragen aan de ontploffing. Niets zou minder de bittere smaak hebben van gemiste kansen wanneer we, door de exclusieve focus op het identitaire getto, eraan verzaken om in de sociale storm onze medeplichtigen te ontdekken, om banden van gedeelde ideeën en praktijken te smeden met andere rebellen, om te breken met alle vormen van bemiddelde communicatie en de vertegenwoordiging en zo opnieuw ruimte vrij te maken voor een ware wederzijdsheid die allergisch is aan alle macht en overheersing.

Maar zoals altijd weigeren wij te wanhopen. We weten dat vele kameraden in tijd en ruimte waar alle politiek spektakel consequent verbannen wordt, de mogelijkheden aftasten om de vijand te raken en om doorheen de verspreiding van anarchistische ideeën en strijdvoorstellen, banden te smeden met andere rebellen. Het is waarschijnlijk het moeilijkste pad, want nooit zal er erkenning voor komen. Noch van de vijand, noch van de massa’s en naar alle waarschijnlijkheid ook niet van de andere kameraden en revolutionairen. Maar we dragen een geschiedenis in ons, een geschiedenis die ons verbindt met alle anarchisten die hardnekkig zijn blijven weigeren om zich te laten insluiten, of het nu in de ‘officiële’ anarchistische beweging is, of in de gewapende-strijdistische weerspiegeling ervan. Die altijd zijn blijven weigeren om de verspreiding van onze ideeën los te koppelen van de manier waarop we die verspreiden, en aldus alle politieke bemiddeling proberen uit te bannen, inclusief de opeising. Die het maar weinig kan interesseren wie dit of dat gedaan heeft, maar het verbinden met de eigen revolte, de eigen projectualiteit die zich ontplooit in de enige samenzwering die wij willen: die van de rebelse individualiteiten voor de subversie van het bestaande.

 

20 november 2011

Annex 2: Aan de dienst nucleaire metrologie

Wednesday, January 23rd, 2013

Eind 2011 kreeg de dienst nucleaire metrologie in de Brusselse universiteit (ULB) een ongewenst bezoekje. Haar lokalen werden dichtgetimmerd, slogans op de muren gespoten en onderstaande tekst werd aangeplakt.

 

Gegroet,

Wij bieden jullie een zekere verstoring van jullie dagelijkse routine aan. Jullie zullen er gebruik van maken om enkele problematieken te bestuderen en er positie over in te nemen, problematieken die vaak bewust verhuld worden, zowel in wetenschappelijke middens als telkens wanneer een individu, een instelling of een belangengroep spreekt in naam van de wetenschap.

Er wordt alles aan gedaan opdat in de ogen van het ‘publiek’, wetenschap zou rijmen met neutraliteit en objectiviteit. Nochtans is de wetenschap niet minder baatzuchtig en doortrokken van de zoektocht naar macht en prestige dan eender welk ander sociaal lichaam.

De wetenschap is baatzuchtig: ieder die een beetje vertoefd heeft in de wetenschappelijke middens weet dat een wetenschapper, of die nu in zijn labo ziet of de prins raad geeft, nooit alleen is. Hij draagt met zich de belangen mee van degenen voor wie hij werkt en van degenen die hij moet overtuigen van het belang van zijn onderzoek, of het nu een openbare instelling is of privé-bedrijven op zoek naar winst in termen van macht, prestige of geld.

De dienst metrologie gaat onder meer hand in hand met de Franse nucleaire lobby; door samen te werken met Tractebel Suez, met de Amerikaanse lobby Westinghouse, en ook met de agentschappen die de promotie op zich nemen van het ‘doe maar op’  van het nucleaire, zoals het ‘Centrum voor Nucleaire Studies’ of het Franse ‘Institut de Radioprotection et de Sûreté Nucléaire’. Om van de rest nog maar te zwijgen.

De wetenschap is niet objectief, noch neutraal: ze moet werkzaam zijn, ze produceert technieken zoals men worst maakt. Er bestaat geen objectief theoretisch kader dat alle kennis zou overstijgen. Om als objectief erkend te worden, moet de wetenschap geslikt worden door de wetenschappelijke en economische gemeenschappen, en de staten.

Door zich op te werpen als waarheid, als onafhankelijke en neutrale praktijk, slikt de wetenschap op haar beurt alle handelingen van diezelfde wetenschappelijke gemeenschappen, diezelfde economische machten, diezelfde staten. Het is dus door de dubbele beweging, van actoren van de technowetenschap en het statuut van de technowetenschap in onze maatschappijen, dat beide partijen versterkt worden in een wederzijdse afhankelijkheid.

Deze dubbele beweging laat toe om de maatschappelijke keuzes die ons opgelegd worden te depolitiseren. In het specifieke domein van het nucleaire probeert deze samenheuling van enthousiaste promotors, industrie en staat ook te verduisteren dat de ontwikkeling van het Belgische nucleaire programma (elektro, militair maar ook medisch, sterilisatie door bestraling,…) altijd al een politieke en economische keuze is geweest, en dat zal blijven.

De oprichting,bijvoorbeeld, van een Federaal Agentschap voor de Controle van het Nucleaire (waarmee de dienst nucleaire metrologie samenwerkt) – dat beweert een onafhankelijke controle uit te oefenen en transparante, objectieve en betrouwbare informatie te verschaffen, laat toe om onder dekking van wetenschappelijke expertise het feit te verduisteren dat de keuze van voor de bevolking aanvaardbare normen van radioactiviteit een economische en politieke beslissing is, en niet een wetenschappelijke. In geval van een incident zijn de experten en beleidsmakers het snel eens over de verhoging van de drempelwaarde die ze aanvaardbaar achten. Toen de catastrofe van Fukushima begonnen was, besliste de Europese Unie op 25 maart 2011 om de radioactiviteitsnormen van geïmporteerde voedselwaren te verhogen omwille van economische redenen. De onderliggende logica van dit soort beslissingen stelt dat het beter is om individuen op te offeren dan de structuren in vraag te stellen, van welke orde dan ook, die tot zulke toestand geleid hebben.

Als we onszelf vandaag uitgenodigd hebben, dan is dat niet in naam van een rationele tegen-expertise, maar omdat we het leven willen en niet het overleven dat de staat, industriëlen en wetenschappers voor ons organiseren. Wij willen de ruimte om onze levens te kiezen en niet langer de beslissingen ondergaan van enkelen, hoe verlicht ze zichzelf ook vinden.

Op de weg van de ontvoogding is het nucleaire een kolossaal obstakel. Het staat op het kruispunt van de autoritaire logica’s die onze samenlevingen overheersen. Het nucleaire is als het paard van Troje: eens het door enkele beslissers ingevoerd wordt, heeft dat onvoorstelbare ecologische en sociale gevolgen. Ecologisch onvoorstelbaar omdat de duur van de schadelijkheid van het kernafval het menselijke bevattingsvermogen overstijgt; omdat we de grootte van de ramp die dagelijks gecreëerd wordt nog niet kennen. Sociaal onvoorstelbaar omdat ze de rol van pompier-pyromaan onthult die de staat en de wetenschappers spelen: na ons er flink in ondergedompeld te hebben beweren ze de enigen te zijn die de ramp kunnen beheren.

Ja maar, waarom zich dan op deze dienst richten?’

‘Zou het niet beter zijn geweest om de poorten van Tihange, Doel of Kleine Brogel dicht te timmeren?’

Nee, het gaat hier niet om een vergissing. Het is wel degelijk hier, in deze plek die beschut is tegen de weerstand tegen het nucleaire en de rol van de wetenschappers in onze dagelijkse onderwerping, dat wij het kleine beestje komen opzoeken.

Het duurt niet lang om het te vinden, eens je voorbij de rookgordijnen gaat die de experten in stand houden. Niets werkt ooit zoals het op papier staat, en het is trouwens daarom dat de promotors van het nucleaire zich amuseren met experimenten op levensgrootte. Achter hun probabilistische voorspellingen die altijd de risico’s minimaliseren, gaan er een hele hoop kleine beestjes schuil die nooit opgehouden hebben met dit of dat deel van de theorie te ontkrachten. Daar nemen ze de vorm aan van een radioactief lek of een kernvat dat barsten vertoont, elders is het een tikfout, nog elders een incident of een onvoorziene escalatie die de hele boel doet ontploffen…

Door zich te werpen op de industriële en nucleaire risico’s, brengt de dienst nucleaire metrologie niet alleen een concreet beheringsmiddel van deze risico’s voort, maar integreert ze zich in een alsmaar algemenere strategie. Sinds Tsjernobyl beweren de wetenschappers en staten niet langer dat een groot incident onmogelijk is, noch dat ze het hele nucleaire proces controleren (zelfs als ze de risico’s blijven minimaliseren met behulp van leugens). Vandaag bestaat hun strategie uit het zoveel mogelijk doen aanvaarden van de mogelijkheid, en van de werkelijkheid zoals in Tsjernobyl en Fukushima, van een groot incident en dagelijkse besmettingen.

De grote incidenten dienen hen als gelegenheid om elke in vraag stelling, van de nucleaire maatschappij en hun eigen macht binnen deze maatschappij, te verhinderen door te experimenteren met technieken van communicatie, aanvaarding en dagelijkse risicobeheersing.

Het dagelijkse bestaan dat gecreëerd wordt door het nucleaire, dat is de uitbuiting, dat is de besmetting in alle stadia van het proces. Deze dienst staat niet los van andere nucleaire installaties. De specialisering, gestuwd door de wetenschap, verhindert elkeen om het geheel te zien, om te zien waarvan het eigen labo, het eigen onderzoeksproject, de eigen ervaring deel uitmaken.

In materieel opzicht kan de dienst nucleaire metrologie niet bestaan zonder de uraniummijnen in Niger of Congo, waar gespeeld wordt met moderne slavernij en liquidatie door besmetting van de lokale bevolking. De dienst kan evenmin bestaan zonder het transport van radioactief materiaal, met alles wat dat betekent aan verspreiding van de besmetting. Ze kan niet bestaan zonder de experimentele kernreactoren of de vier reactoren van het Centrum voor Nucleaire Studies waar ze mee samenwerkt. Tenslotte maakt de dienst, door te bestaan, radioactief afval waar, voor ons leven en de komende levensn geen enkele aanvaardbare oplossing voor bestaat.

Tenslotte willen we het probleem opwerpen van het medische nucleaire dat deelneemt aan deze dienst door vormingen inzake radiobescherming te geven, en door haar nucleaire biomedische tak. Het medische deel dient altijd als argument, zowel voor het nucleaire als voor de genetisch gemanipuleerde organismen, om het verzet de mond te snoeren. De verklaring van de ex-directeur van de Stichting Curie (een Franse organisatie die onderzoek doet naar kanker), de professor Laterjet, stelt dat de waarschijnlijkheid van de genezing van kankers door bestraling veel hoger is dan de veroorzaking van een nieuwe kanker, en dat de voordelen het dus halen van de nadelen. Dit geeft blijk van het cynisme dat heerst in de middens van het medische nucleaire. Er is in zekere zin een kosten-baten rekening, waarin de gezondheid en het leven van een mens uitgedrukt wordt in waarschijnlijkheidscijfers. Er valt niet aan te twijfelen dat de winsten zich ook laten voelen in biljetten.

Toen in 2008 te Fleurus (België) het radioactieve lek in het IRE (één van de zes laboratoria ter wereld voor de productie van radio-isotopen voor de medische sectoren) de omwoners in woede deed ontsteken, werd de mediatieke bekommernis al snel de schaarste van radio-isotopen in ziekenhuizen. Nooit is er sprake geweest van het bestaan van het IRE in vraag te stellen. Zat er nochtans niet iets legitiem in de woede van de omwoners? Die lijden en sterven daar aan ziektes veroorzaakt door radioactieve straling (waaronder kankers), opdat men die kankers zou kunnen diagnosticeren?

Dat is niets nieuw. En toch wordt de ruimte dag na dag kleiner om de verspreiding te betwisten van een brand die aangestoken werd door de experimenten op levensgrootte van enkele wetenschappers, gefinancieerd door de staten en industriële belangen. En in het bijzonder in de schoot van de wetenschappelijke middens. Maar wij hebben de pretentie om te zeggen dat het nog mogelijk is om alles te stoppen; dat afsplitsingen mogelijk blijven. Er bestaat geen onafwendbaarheid: deze wereld kan radicaal veranderd worden in een ontvoogdingsoptiek. Maar dat alles zal slechts mogelijk zijn door weg te vagen wat aan sommigen toelaat om beslissingen voor allen te nemen. En dat op alle niveaus. Te beginnen bij deze dienst hier.

Aan de onderzoekers die er werken, aan de professoren die er lesgeven, aan de studenten die er gevormd worden: het is tijd om je hoofd uit de bokaal met chloroform te halen en er ergens bewust van te worden dat jullie bijdragen tot de verspreiding van de brand. Jullie hebben altijd de keuze om al dan niet te aanvaarden om brandstof op het vuur te gooien. Jullie hebben de keuze om te kiezen voor de onderwerping of voor de ontvoogding, zowel voor jezelf als voor allen. Wij hebben allemaal die keuze.

Daarom zou de eerste stap zijn op te houden met het vuur te voeden. Waarom niet het in vraag stellen beginnen met de volgende oproep:

Laten we het onderzoek stopzetten!

Annex 3: Voor alles waar ze ons van beroven

Wednesday, January 23rd, 2013

Wie het nog wil zien kan onmogelijk naast de verscherping en uitbreiding kijken van de totaaloorlog tegen het leven door het kapitaal. Zij die nog bewegen voelen de stinkende en hete adem van de technisch gerichte sociale controle in hun nek. Met een zelfversnellende vooruitgang walst de vijand over de zo goed als verlaten loopgraven uit het verleden van de sociale oorlog. Het moment is aangebroken om afscheid te nemen van strijdvormen die in het verleden de sociale conflicten versterkten maar vandaag hopeloos achterhaald zijn door de vijand.

De tijd van formele betogingen en open vergaderingen is voorbij en het moment is gekomen om nieuwe strijdexpressies te vinden die het kapitaal nog niet heeft ontkracht. Door het formaliseren en concentreren van het spel beperken we de beweeglijkheid en het bereik ervan in de ijdele hoop op erkenning en overwinning. Ook het politiseren en moraliseren van de sociale oorlog draagt al lang niet meer bij tot de verspreiding van de conflicten maar is er veeleer een vrijwillige bron van isolement voor geworden.

Wat ons betreft is ook elke vorm van benadering van de strijd die gelijkaardig verloopt met de vijandige interpretatie ervan gedoemd om te falen. Opdat we spoedig de mogelijkheden tot gewapende vreugde mogen vinden vooraleer de bezetter ons van onze verbeeldingskracht en strijdlust kan beroven. Laten we ons niet langer blindstaren op de vrijwilligers en huurlingen van de macht maar meer oog hebben voor dat wat ze willen en moeten beschermen om zelf te kunnen overleven.

Hoewel gewoontes, gemak en eerzucht ons aansporen tot de aanval op diegene die getraind, betaald en gemotiveerd zijn om ons te bestrijden kan het ook anders. Zonder de brandweer of de takeldiensten heeft het vuur vrij spel en strandt de interventie in de file. De gezagstrouwe burgers en bedrijven die hun vuile werk door de flikken en fascisten laten uitvoeren en rijk worden door de repressie diensten te verlenen verdienen meer aandacht van de revolte dan ze tot nu toe kregen. Aangezien alles wat ze bezitten als wapen tegen ons gebruikt wordt en voortkomt uit onze uitbuiting zijn al hun dingen legitieme doelwitten voor de woede van zij die geen ideologie behoeven om zich te wreken. Als we hier spreken over de samenwerking tussen huurlingen, vrijwilligers en burgerwachten in het web van de controlestaat dan kunnen we niet omheen de infrastructuren die de repressie mogelijk maken.

Met dit subversieve voorstel willen we het verlangen om één specifiek repressief netwerk aan te vallen minstens bespreekbaar en indien mogelijk onweerstaanbaar maken voor iedereen die de vrijheid echt bemint. Het gaat over het wereldwijde stroomstelsel dat het spektakel voedt en in die hoedanigheid ook het materiële middelpunt ervan vormt. Het kapitaal integreert ons mentaal en fysiek via onze aansluiting op het stroomnet waarmee het tevens de totaliteit aan individuele uitbuiting synchroniseert tot het een denkbeeldig geheel lijkt.

Opdat het inzicht zich spoedig mag verspreiden dat de zogeheten sociale en humane aspecten van het stroomnet niets anders zijn dan uitvluchten voor de ombouw van het voormalige publieke terrein tot één openluchtgevangenis waar het overleven enkel geduld wordt als dienstbetoon aan de economie en de repressie.

Voor ons is het duidelijk dat de informele moordoproepen en haatboodschappen van de contrarevolte die in de controlekamers worden bedacht via de stroomkabels het publiek in de huiskamer bereiken. De snelweg waarover de liefde voor de slavernij wordt uitgezonden is echter enorm uitgestrekt en verloopt langs een hele ketting van tussenstations vooraleer ze de geesten en de beweging van haar ontvangers kan verlammen.

Om haar onderdanen en hun dingen te voeden moet het stroomgeworden kapitaal zonder escorte voortdurend door onbewaakte gebieden reizen waar velen de macht vijandig gezind zijn. De enige manier om de reconstructie van het sociale terrein tot een openluchtgevangenis te verhinderen is dit gebied door de revolte te herbestemmen als het betwiste slagveld van de sociale oorlog. Om de stroomkring van de vijand te onderbreken is het nog niet te laat. Toeslaan en verdwijnen als de bliksem uit het zwarte wolkendek dat over deze wereld hangt. Vechten; Niet Vluchten. Het leven is onze strijd, Eerst, Laatst en Altijd.

 

De ontlading aan de horizon

Een nooduitgang

 

“Vandaag bestaat ideologie enkel nog als uitvlucht en dekmantel voor wat technologisch noodzakelijk is om de bezetting te handhaven.”

 

De waanzin grijpt om zich heen. In het denkbeeldige wereldrijk van het kapitaal verdringen de misleide schapen zich voor de eer om als eerste geslacht te worden op het altaar van de vooruitgang. De formele ideologische camouflage voor de informele dictatuur door technologie verliest zienderogen haar geloofwaardigheid zonder dat dit de offerbereidheid van haar onderdanen schaadt.

Door de socialisering van militaire controletechnologie is de bezetter van iedere gezagstrouwe burger een soldaat aan het maken in het informele reserveleger van de legaliteit.

Nu de burgeroorlog op wereldschaal netjes ecologisch, sociaal en moreel verpakt wordt als prijs voor de vooruitgang vieren de beschaafden schaamteloos en uitbundig haar talloze slachtingen. Overal lijken opstandige krachten in het defensief gedreven door de legioenen van de contrarevolutie. De huurlingen en vrijwilligers van de bezetter maken arroganter dan ooit jacht op de barbaren die zich weigeren te onderwerpen aan de heerschappij des doods. Desondanks alle georganiseerde misleiding en verwarring blijven sommigen echter rotsvast vertrouwen in de levende mogelijkheid op bevrijding door strijd.

Daarom blijven we rusteloos zoeken naar strijdperspectieven die het einde van de koopwarendictatuur in zich dragen. Deze woorden zijn niets anders dan een voorstel tot heroriëntering van de sociale conflicten gericht tot iedereen die de voorspoedige vernietiging van de openluchtgevangenis in opbouw een warm hart toedraagt. Ons inziens is de tijd rijp om te breken met de bestaande spelregels en het initiatief te hernemen door de opening van nieuwe fronten in de sociale oorlog tegen de dodende vooruitgang van het kapitaal. Het moment is aangebroken om de aanval in te zetten op de centrale technische infrastructuur die het verlangen tot revolte uitroeit en onmisbaar is voor de verdediging van de kampenwereld. Laten we de vreugde herontdekken die ontstaat nadat de stekker uit het stopcontact is getrokken of de stroomtoevoer onverwachts wordt onderbroken.

 

Aan de bron

Always only a shortcut away from the end of powers transmission

 

Wat zorgt ervoor dat dingen van kunststof en ijzer slimmer en beweeglijker lijken dan ons? Wat maakt het onmogelijk om onze vijanden open en frontaal aan te vallen? Welke structuur isoleert het leven en verbindt de dingen met elkaar, hun meester en zijn dienaren? Waarom willen we het spel altijd moeilijker maken dan het is?

We lopen vrijwel altijd en overal op, onder, tussen of langs de kunstmatige zenuwen en aderen van de spookwereld waarin we moeten overleven. Slechts weinigen bevinden zich hier nog buiten het bereik van het web uit koper, glasvezel en kunststof waarover zowel de stroom als de data vervoert en verdeelt wordt tussen de aangesloten dingen en hun dienaars. Het is de verborgen link die onze slaapkamers rechtstreeks verbindt met de dichtsbijzijnde controlekamer. De onder een dodelijke spanning staande tentakels waarover de macht zijn boodschap naar ieders onderbewustzijn transporteert om onze gevoelens te manipuleren en onze dromen te controleren.

In de lente van 2011 maakte het Pentagon bekend dat het elke aanval op het Amerikaanse stroomnet voortaan als een daad van oorlog bestempelt. De toonaangevende bonzenkrant Wall Street Journal blokletterde na dit nieuws triomfantelijk en onverholen de niet te misverstane boodschap: ‘Mess with our Grid: expect rockets down Your chimney’…

Iedereen weet dat het slechts een kwestie van tijd is vooraleer ook de ontelbare satellietstaten van de Verenigde Staten het voorbeeld van Grote Broer zullen volgen. De preventieve oorlogsverklaring aan iedereen die het stroomnet wil saboteren verraad duidelijk dat de bezetter anno 2011 maar al te goed bewust is van zijn eigen kwetsbaarheid.

In de controlestaten moet het stroomnet dat de apparatenketens voedt voortdurend uitgebreid en verfijnd worden zodanig dat er niemand meer buiten het bereik van de dingen kan overleven. In elke tijdelijke en plaatselijke stroomonderbreking is duidelijk te zien hoe snel het spektakel vergeten is als men door het uitvallen van de dingen gedwongen wordt om zijn luxecel te verlaten. Voor ons is het duidelijk dat de aanval op de kampenwereld zinloos of zelfmoord is als we er niet eerst in slagen om de stroomcirculatie gedeeltelijk te verstoren of te onderbreken. Daarom verklaren wij ons in permanent conflict met alles en iedereen die de naderende ‘Moeder van alle Kortsluitingen’ wil verhinderen.

 

Vermommingen en vervreemding

“Forget your country and kill for your grid”

 

“Het is zelfbedrog te denken dat de dienaren van de macht niet voor elke meter zullen vechten zolang ze zich in zijn geestelijke en morele gevangenis bevinden.”

 

Zoals wij het ervaren berust de voornaamste bescherming die het stroomnet geniet op de sociale controle van mensen die nog steeds geloof hechten aan de ideologische uitvluchten waarmee de macht haar dodelijk web vermomt. Iets dat door de staten werd opgetrokken met het bloed van arbeiders en recentelijk aan het kapitaal werd overgedragen om de repressie te rationaliseren kan voor ons onmogelijk sociaal noch humaan zijn. Het is zeker dat de mediasoldaten van de macht de saboteurs van het stroomnetwerk zullen demoniseren als antisociale gekken. Monsters die speciale behandeling en aandacht vereisen van de beulen in doktersjas of cipiersuniform.

Wanneer het echt nodig is zullen er zolang het stroomnet werkt ongetwijfeld voldoende vrijwilligers en huurlingen zijn die er hun gezondheid en leven veil voor hebben om het zenuwstelsel van de macht te bewaken. De dagen naderen met rasse schreden waarop de bezetter niet enkel gedwongen zal worden om slag te leveren om het bezit van de olievelden maar ook voor de verdediging en handhaving van het stroomnet. In de nabije toekomst zullen nog rivieren van bloed vergoten worden over het stroomnetwerk zoals er in het verleden mensen afgeslacht werden voor het vaderland of voor bodemschatten. Zolang ze onder de boze betovering van de macht blijven zullen de beschaafden voor de bevrediging van hun stroomverslaving kiezen en geen moer geven om gezonde lucht of een stralingsvrije atmosfeer.

Tegelijk vinden we het zinloos en bovenal vreugdeloos om onder de huidige condities verbalen of papieren kritiek te verspreiden op grote schaal. Zolang het digitale databombardement de zintuigen van het publiek opeist en controleert zal niemand nooit meer echt de betekenis van onze woorden kunnen of willen begrijpen. Voor ons is het duidelijk dat het schijnbare isolement waarin de strijd zich momenteel bevindt enkel te doorbreken is door de aanval op het vijandige datadistributienetwerk. Zonder de voortdurende vergiftiging van hun geesten zullen de schijnbaar eindeloze leger van legaliteit nog sneller uiteen vallen dan de sneeuw die smelt voor de zon. Het is nooit te laat om de draad van het spel her op te nemen dat al veel te lang geleden vroegtijdig werd onderbroken.

 

In het spoor van een mogelijkheid

 

Het donker heeft iets magisch. Het doet de door kunstlicht afgestompte verbeelding onmiddellijk heropleven. In het duister valt niets meer van iets anders te onderscheiden. In haar gezelschap dwalen we onmiddellijk buiten de door de bezetter vastgelegde grenzen van tijd en ruimte. Daarom omhelzen we haar als een unieke vertrouwelinge aan wiens terugkeer we nooit hoeven te twijfelen.

 

Als centraal element in de kapitalistische bezettingsstructuur is het stroomnet altijd al een doelwit geweest voor de vijanden van de macht. We hoeven niet ver terug te blikken in het verleden van de sociale oorlog om voorbeelden te vinden.

Het was in de lente van 1986 dat de kernramp te Tsjernobyl de sociale conflictcyclus tegen atoomenergie naar haar laatste hoogtepunt stuwde. Toen besloten sociale opstandelingen om de atoommaffia aan te vallen middels aanslagen op de masten van het hoogspanningsnet in het hart van het beest. Tot het einde van de Koude Oorlog werden over heel West-Europa maar vooral in West-Duitsland en Italië duizenden hoogspanningsmasten het doelwit voor de vijanden van da atoommaffia. Tussen januari en half november 1986 registreerden alle afdelingen van de West-Duitse politie samen 116 aanslagen tegen de stroommasten. Meer dan een derde daarvan werd bij de aanval compleet vernield wat goed was voor tien miljoen Duitse marken schade zonder dat de flikken er ook maar in slaagden om één dader te vatten.

Aanvankelijk leek de aanvalsgolf onstuitbaar tot ze frontaal botste op het tegenoffensief van de contrarevolte en andere praktische grenzen die haar verspreiding verhinderden. Na de bijna dodelijke elektrocutie van een Italiaanse strijdster tijdens het omhalen van een hoogspanningsmast en de volledige ontmanteling door infiltratie van een autonome ‘zaagvissenkern’ in West-Duitsland begon de kritiek op de aanvalsmethode aan te zwellen. De aanvalsgolf tegen het hoogspanningsnet was reeds over haar hoogtepunt heen toen het einde van de Koude Oorlog ook de ondergang van het sociale verzet tegen de atoommaffia bestendigde. Hoewel deze aanvalsvorm de Grote Verzoening overleefde was het tegen 1990 overduidelijk dat de controlestaten de onbeheersbare verspreiding ervan succesvol hadden bezworen.

Wij beschouwen de stroommastsabotage uit de tweede helft van de jaren ’80 allerminst als een verloren gevecht maar wel als een bloedmooi conflict wiens schoonheid ons tot op heden blijft inspireren tot de compromisloze strijd tegen eenzelfde vijand in een andere tijd.

Net zoals we nooit zullen vergeten dat het de Franse politie was die eind oktober 2005 twee gettowelpen de dood in dreef door hen te achtervolgen tot ze in een elektriciteitscabine vluchten waarin ze na elektrocutie ter plekke stierven. De dubbele moord op deze ongewenste kinderen gaf het startsein tot een historische ontlading van opstandige krachten en onthulde tegelijk zowel de kwetsbaarheid van het stroomnet als het dodelijke gevaar dat het inhoudt voor alles wat leeft.

Tijdens de revolte in de herfst van 2005 vernielden de opstandelingen te Clichy eerst de openbare straatverlichting vooraleer ze starten met brandstichten. Nadat de politie in december 2008 te Athene een opstandige tiener executeerde braken rellen uit die de Griekse politie tijdelijk uit opstandige delen van de hoofdstad verdreef. Enkele anonieme rebellen herkenden de gelegenheid en vernielden de stroomvoorziening van de verkeerslichten waardoor de revolte tijdelijk de ruimte bezette die anders voor het verkeer is gereserveerd.

Door de straat- en verkeersverlichting uit te schakelen saboteren we de werking van de antisociale openluchtfabriek in wording en bevrijden tegelijk de ruimte waarin de opkomst van de werelden van het spel niet meer valt te stuiten. Door het ontwrichten van de doorstroming van de macht transformeren we het bezette gebied tot een terrein dat de sociale conflicten met open armen omhelst.

Uit de recentere sociale revoltes te Frankrijk en Griekenland blijkt dat het de aanvallen op het stroomnet zijn die de ruimte en de gelegenheden scheppen om de opstand vol te houden, haar te verdiepen en verspreiden.

Laten we de opstanden te Parijs en Athene herkennen als kortsluitingen die het pad effenen voor de irrationele ontladingen van opstandige krachten in de nabije toekomst. Opdat een orkaan aan onbeheersbare conflicten de Glazen en Witte Huizen achter de informele burgeroorlog op wereldschaal spoedig met de aardbodem gelijk mag maken.

 

Van kortsluiting tot ontlading

From disruption of capitals power to discharge of insurgent force and decontrol

 

Niemand kan vandaag nog ontkennen dat het kapitaal zijn grootstedelijke concentratiekampen in ijltempo is aan het transformeren tot gigantische openluchtgevangenissen. Het voormalige sociale terrein wordt bezet door een arsenaal aan slimme dingen die de repressie socialiseren en verinnerlijken onder de wezens die in dit sociale kerkhof moeten overleven.

Het is deze kolonisering van het publieke domein door slimme dingen die de instrumentalisering van de sociale controle mogelijk maakt. De inplanting van videocamera’s, kaartlezers, detectoren, sensoren, scanners, enzovoort… bewaakt niet enkel onze fysieke beweging maar ook de manier waarop we denken en met elkaar omgaan. Soms lijkt de waanzin al zo ver gevorderd dat het lijkt alsof het zinloos, zelfmoord of tegennatuurlijk is. Wij menen echter dat het bijgeloof in de denkbeeldige almacht van de bezetter niets anders is dan de centrale kernboodschap uit de psychologische totaaloorlog waarmee het spektakel onze geesten wil besmetten.

Voor ons is vandaag nog niets verloren en blijft alles wat we echt willen mogelijk. Het is nooit te laat om te revolteren en de gewapende vreugde op te zoeken die het einde van de waanzin in zich draagt.

Als de tentakels van de vijand zich overal bevinden dan zijn ook de mogelijkheden voor de aanval groter dan ooit tevoren. Laten we in de fijnmazigheid en uitgestrektheid van het stroomnet de gelegenheden ontwaren om de krijgskans alsnog te doen keren. Hoe verwaarloosbaar ze op spectaculaire schaal in ruimte en tijd ook mogen lijken; in Elke onderbreking van de voeding naar de dingen die ons onderwerpen herkennen we de Grote Ontlading die de wereld in zich draagt waar we reeds zo lang van dromen. Opdat stoorkrachten mogen ontluiken die de circulatie van de macht en de stroom die haar voedt voor eens en altijd de weg versperren. Stoorkrachten die de natuurlijke weerstand tegen de doorstroming van de macht onoverbrugbaar zullen maken. Wezens die de wilskracht koesteren om het irrigatiestelsel droog te leggen waarmee de macht het sociale weefsel met zijn controle overspoelt.

Door het stroomnet te herkennen als een onverdedigbaar statisch doelwit voor de onbeheersbare dynamiek van een ongelijk verlopende sociale oorlog bevrijden we ons van de denkbeeldige noodzaak tot de open en frontale aanval. Als we de doorstroming van de voeding naar het spanningsveld dat deze kampenwereld vormt en beschermt kunnen ontwrichten zal onze vreugdevolle aanval onweerstaanbaar worden. Zonder stroomtoevoer worden de oppermachtige slimme dingen ogenblikkelijk herleid tot wat ze echt zijn. Overbodige, roestende, onbruikbare en dus nutteloze stukken materie rijp voor de schroothoop. Net zoals elk kamp dat van zijn centrale voedingsbron is afgesneden als bij toverslag in een naargeestige, levenloze en bouwvallige tempel verandert die gelaten zijn onafwendbare sloop afwacht.

Het moment waarop de jagers prooien worden hangt in de lucht. De bloedmooie nacht waarin zowel de straling als de spanning oplossen in het niets. Het einde van de langzame dood die de bezetter ons als leven wil opdringen. Als het vuur de isolatie heeft verteerd zal de kortsluiting het sein voor de aanval worden die ons in een ogenblik naar een andere wereld kan katapulteren. Het is in de oorverdovende stilte die de komende stilstand van de dingen zal vergezellen dat hun verwarde en ontredderde bedieners terug vatbaar kunnen worden voor de verleidingen en avonturen van de revolte. Laten we ons niet blindstaren op hoogspanningsmasten maar oog hebben voor alles dat zich tussen de transformatorcabines en de stopcontacten bevindt.

 

Sommigen dwalen met opzet

 

“De stoorkrachten uit het Noorden dragen de Vrijheid in hun harten waar ze buiten schijnbaar van berooft zijn”

 

Voor ons is de aanval op het stroomnet een onafscheidelijk element uit de sociale oorlog waarin we onszelf door de strijd uit de slavernij bevrijden. Niet uit nostalgie over een terugkeer naar wat nooit meer kan zijn maar vanuit het verlangen naar een uitbraak uit het eeuwige heden naar iets dat echt anders is. Het feit dat ook wij vandaag nog aangewezen zijn op het vijandige stroomnet om te overleven zien we allerminst in tegenspraak met ons verlangen om het aan te vallen. We herkennen onze afhankelijkheid van en verslaving aan stroom als een dwaling die we voortdurend met onze vrijheid en gezondheid betalen en zullen ons vanaf heden beter voorbereiden op het moment van de Grote Kortsluiting.

Het bestaan en het gebruik van stroom als energiebron op zich laat ons koud maar het is de manier waarop de bezetter deze techniek misbruikt als voeding voor de economie en de repressie die onze harten van haat ervoor vervult. Het gaat ons niet om een terugkeer naar een denkbeeldige stroomloze natuur maar wel om een revolte tegen de witte folter van de koopwarendictatuur. Voor ons is het zowel irrelevant als duidelijk dat sommige delen van het stroomnet ook na de kortsluiting van het systeem zullen blijven bestaan.

Door het pad naar de vrijheid voor te stellen alsof het een lijdensweg vol van gruwel en ontbering zou zijn zal het spektakel zijn dienaren opzwepen om voor hun luxe en slavernij te vechten tot de laatste druppel bloed. Desalniettemin is ons hartstochtelijk verlangen naar vrijheid te levendig om nog langer met vergifitigde luxe te doden of in emotionele chantage te verstikken. Laten we in het conflict onze valselijk opgewekte angsten voor het donker, de koude of het onbekende vergeten in een innige omhelzing met de vrijheid waar we te lang van gescheiden zijn geweest. We zijn er ons bewust van dat de ontwenning van de stroomverslaving voor velen een pijnlijke ervaring zal zijn maar kunnen ons niet langer in vals medelijden wentelen met wezels die geleerd hebben om het echte leven als de dood te vrezen.

We willen niet enkel de sterren kunnen zien maar ook de vogels horen fluiten terwijl we vrij en dus ongecontroleerd door het leven dwalen. Omdat de oogst die de verhoging van de dodende straling rondom de spanningsvelden voortbrengt uit misvormde dieren en kinderen met bloedarmoede of botkanker zal bestaan.

Opdat we elkaar sneller dan verwacht mogen ontmoeten in de levende sferen van de sociale conflicten die ons omgeven. Wanneer we er samen voor gaan kan niets of niemand onze uitbraak naar de Andere Kant beletten. Herken de ontbrekende schakel en hou het Echt.

Stadslucht

Friday, December 7th, 2012

fdsq

Gedachten van een enthousiaste wandelaar

Friday, December 7th, 2012

fd

Alles begint nu – Griekenland 12 februari 2012

Friday, December 7th, 2012

fd

Een bries van opstand – Griekenland danst op het slappe koord

Friday, December 7th, 2012

fd