De weerslag van verandering – Mijmeringen voor het breken met de gewoonte

De geschiedenis leert ons dat meeste mensen beschikken over een onmetelijk aanpassingsvermogen ten aanzien van hun omgeving. Er zijn er geweest die in erbarmelijke levensomstandigheden in opstand zijn gekomen, maar het kan alles behalve gezegd worden dat het één meestal tot het andere heeft geleid. Ook het heden weet ons altijd opnieuw te bevestigen dat dit menselijke talent niet verloren is gegaan. Men kan de meest frappante veranderingen ondergaan, en tegelijkertijd manieren vinden om ze toch te overleven. Niet door ertegen in opstand te komen, maar door uit te blinken in gehardheid of vindingrijkheid om toch maar de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. En ook al brengt dit heel wat chaos en ontevredenheid met zich mee, er middenin blijft een zekere orde heersen die zich niet zomaar omver laat werpen. Over het verband tussen slechte levensomstandigheden en berusting worden wel eens twee tegenovergestelde dingen gezegd. De ene beweert dat iedereen z’n kookpunt heeft, en dat als de maat vol is men de berusting van zich af zal werpen en zal vechten tegen de oorzaken van z’n ellende. De andere beweert dan weer dat naarmate de levensomstandigheden erop achteruitgaan men meer en meer opgeëist wordt door het overleven, en dat er gewoonweg geen tijd en energie meer overblijft om na te denken, laat staan te handelen. Het verleden heeft ondertussen beide stellingen al weten te bevestigen en ontkrachten. Er moet dus meer zijn.

“Het is een probleem van informatie”, zegt iemand. Alsof het een eenvoudige onwetendheid zou zijn die maakt dat mensen van alles en nog wat slikken, en blijven slikken. Nee, in tijden waar de mogelijkheid om te zwemmen in de informatie toch enigszins geproletariseerd is, kan dit de sleutel niet zijn. De informatiestroom die zichzelf constant in ritme en ontzaglijkheid overtreft lijkt zelfs een omgekeerd effect teweeg te brengen. Ze ontdoet zich, omwille van haar veelheid en dus noodzakelijke beknoptheid, volledig van context en omvattende betekenis. Wat overblijft is een samenraapsel van vluchtige en oppervlakkige ‘weetjes’ dat gewichtloos, bijna aangenaam, op iedereen neer dwarrelt. Bijgevolg heeft zelfs die informatie die afwijkt van pure propaganda voor de normale gang van zaken niets meer weg van feitelijke bagage die zou kunnen helpen in het aanscherpen van de eigen intelligentie, de eigen ontwikkeling en het vormen van eigen ideeën. Men staat erbij, en men kijkt ernaar, velen raken er zelfs aan verslaafd. Tegenover zoveel informatieve activiteit lijkt enkel de passiviteit een veilige haven te bieden. En in die passiviteit kan men enkel stilzwijgende toeschouwer of bewogen commentator zijn, maar nooit iemand die handelt naar eigen overtuiging en mee de geschiedenis schrijft.

“De mensen geloven niet meer in verandering”, oppert iemand anders. Daar zit misschien een grond van waarheid in. Maar waar zou iedereen aan denken als men het over ‘verandering’ heeft? De omstandigheden waarin en de manier waarop dit woord alom gebruikt wordtschept een referentiekader, en geeft uiteindelijk haar gangbare betekenis. Ook ‘wie’ het woord maar al te graag in de mond neemt spreekt boekdelen. Wat betekenen de veranderingen waar de regering, de oppositie, sociaal geëngageerde associaties of de vakbonden het alsmaar over hebben?

Of je nu voor of tegen bent, al de zogenaamde veranderingen waarmee binnen dit referentiekader gezwaaid wordt hebben één gemene deler. Ze raken nooit aan de kern van een probleem. Ze raken nooit aan de wortels van een systeem of maatschappij die de problemen voortbrengt. Ze raken nooit aan het referentiekader zelf. En dit maakt dat de veranderingen, zelfs in de meest extreme vormen, slechts verschuivingen kunnen betekenen in een hopeloze wirwar van belangen, slechts episodes kunnen zijn in een spektakel dat zich per definitie boven onze hoofden afspeelt. Het zijn politieke veranderingen, en worden ook als dusdanig begrepen. Dat mensen dit soort veranderingen wantrouwen of er gewoonweg niet in geloven kan bezwaarlijk als problematisch aanschouwd worden, het lijkt eerder een meerwaarde, of zelfs een vereiste om tot iets te komen dat enige subversie in zich draagt. Wat wel een probleem stelt, is dat mensen misschien niet bereid zijn om het referentiekader zelf overhoop te halen, en er hun eigen referentiekader voor in de plaats te zetten.

Met een eigen referentiekader bedoel ik simpelweg zichzelf, een eigen ethiek, eigen ideeën en dromen. Als al deze dingen je in conflict brengen met de realiteit komt het erop aan je eigen tijd en beslissingen van haar los te rukken en te gebruiken in een rebellie tegen die realiteit. In de wetenschap dat geen enkele ‘verandering’ zo hard je eigen leefwereld en omgeving raakt als een verandering die je in eerste persoon forceert en beleeft.

De democratie teert op de leugenachtige gedachte dat iedereen vrij is en uiteindelijk zelf de modaliteiten kiest waaronder men wil leven. Maar tegelijkertijd wordt de chantage van de economie en de staat steeds verder aangescherpt. De regels die opgelegd worden aan het overleven geven een bittere smaak aan de ‘keuzes’ die we hebben. Uiteindelijk blijkt de bejubelde vrijheid die van een consument te zijn, en blijken de aangereikte keuzes eigenlijk vals. Maar wanneer deze marges aanvaard worden, en men binnen deze marges de rol speelt die hij of zij hoort te spelen, reproduceert men de werkelijkheid. Zo wordt de democratie en het kapitalisme niet alleen gedragen door de schouders van de machthebbers en hun gewapende arm, maar ook door de gehoorzaamheid van iedereen die z’n burgerrol aanvaardt en vervult. De enige beslissing die we kunnen maken om de vicieuze cirkel te doorbreken is het in handen nemen van ons eigen leven en er iets fundamenteel anders mee te doen. Door onze tijd en inventiviteit niet enkel te gebruiken om te kunnen overleven binnen de opgelegde omstandigheden, maar om tegelijkertijd deze omstandigheden aan te vallen en dus te veranderen.

Het is ook deze individuele benadering die betekenis kan geven aan wat je doet, niet in het politieke schouwspel, maar in het spinnenweb van sociale verhoudingen dat uiteindelijk het draagvlak vormt voor de dingen zoals ze zijn. Het is deze benadering die niet alleen de onderdrukking van de flik aanduidt, maar ook de onderdanigheid van éénieder die deze onderdrukking legitimeert. En dat het niet alleen de flik is, die de onderdrukking bestendigt, maar ook de autoriteit die aanvaard wordt van pakweg familie of religie.

Maar waarom, als elke eerste aanzet tot revolte enkel in ieders eigen handen kan liggen, blijven op zoek gaan, niet alleen naar individuele maar ook naar collectieve momenten van revolte?

Uiteindelijk speelt berusting, net als revolte, zich af in tijd en ruimte. Tijd en ruimte die we niet enkel alleen doorlopen, maar ook delen met anderen. Het bestaande met haar eigen logica en moraal verzekert haar voortbestaan door de grote lijnen van ieders tijd, en van de ruimte (straten, pleinen, huizen, werkplaatsen,…), vast te leggen. Wanneer revolte de kop opsteekt, wordt tijd en ruimte van diens voorbestemming onteigent. Wanneer ‘s avonds op een plein, dat hoogstens als wachtplaats voor de tram of kortstondige rustplaats tussen thuis en de supermarkt hoort te dienen, een barricade wordt opgeworpen om de politie te bestoken, wordt, al is het maar voor even, die ruimte veranderd. Als op een werkplaats, waar iedereen hoort mee te huppelen op het ritme van de bedrijfsdoelstellingen, de bedrijvigheid wordt gesaboteerd door werknemers, heroveren zij de tijd waarin men hoorde te werken om te ageren tégen het werk. Het gaat er niet over dat dit de meest effectieve middelen zouden zijn om de flikken de straten uit te jagen of het werk te vernietigen, maar over het feit dat de omkering van de tijd en ruimte die in ieders bereik liggen een noodzakelijke vereiste is om iets te creëren dat veel verder kan gaan dan dat alleen.

Maar wat kan dit dan inhouden? Het is een veelgestelde vraag die vaak vele initiatieven en activiteiten weet te plagen, en die steeds voer blijkt te zijn voor oeverloze discussie waar maar weinig voldoening uit voortvloeit. Ik heb dan ook niet de pretentie hier een antwoord op te kunnen formuleren die deze kwestie kan ontdoen van haar complexiteit.

Op de vraag wat dat dan wel betekent, dat totaal andere, waar men het wel eens durft over te hebben als men praat over de beweegredenen die een revolte tegen alle autoriteit voeden, volgen soms antwoorden die vaak als ‘gemakkelijk’ of nietszeggend worden afgedaan. Dat iets totaal anders enkel kan bestaan in de uitdieping van de revolte, in die sprong in het onbekende, bijvoorbeeld. Achter de overtuiging dat dit idee naar mensen in de straat toe een lege doos blijft, lijkt vaak een zeker schuldgevoel te schuilen. Misschien is schuldgevoel niet het juiste woord, een soort van beschamende tekortkoming eerder. De opvatting dat we na een heel pakket van ideeën te hebben afgeleverd eigenlijk naar anderen toe weinig tastbaars in handen hebben. Dat we geen verstaanbaar of geloofwaardig alternatief kunnen overbrengen. Dat we amper concrete oplossingen voor dagelijkse problemen formuleren. Dit is waar. Binnen het huidige raamwerk van sociale verhoudingen zal dit terrein altijd een kolonie van de macht blijven. Als er iets interessants te ontdekken valt, zal dit zich elders bevinden. Daar waar dit raamwerk aangetast wordt en haar grip verliest op de stappen die mensen zetten. Daar bevindt zich dan ook de uitdieping van revolte, … en uiteindelijk het onbekende. Maar verder blijft het balanceren tussen twee vuren. Wat in je hoofd gerijpte ideeën zijn over opstand, vrijheid, solidariteit en autonomie, zijn zodanig in strijd met wat er in de werkelijkheid overheerst dat ze, eens geworpen in die werkelijkheid, dreigen nietszeggend of onverstaanbaar te worden. Het kan een vaststelling zijn dat vaak een feit is, maar wat verandert dit? Betekent dit dat het niet langer om concrete dingen gaat? Of benadrukt het enkel de evidente moeilijkheid om deze ideeën concreet te maken in een totaal vijandige wereld?

De drijfveren die er ons toe brengen hier en nu te willen handelen komen voort uit de botsing van onze ideeën, verlangens en plannen met de realiteit die ons omringt, uit de afkeer en woede die deze realiteit in ons opwekt. Waarom zou het voor anderen, als zij in opstand komen, zoveel anders zijn? Kan de confrontatie van deze drijfveren in eventuele ontmoetingen in revolte dan niet de nodige munitie aanreiken om mee te experimenteren?

 

 

Leave a Reply