Autopsie van een stad

De omgeving veranderen om de mens te veranderen. Dat is de oude droom die de architect stiekem koestert. Die onderliggende illusie treedt in zowat elke toepassing ervan naar voren. Er loopt een rechte lijn van de gevangenis die de mens zijn criminele neigingen moest afleren naar de hypermoderne treinstations die de mens moet meetrekken in de alsmaar snellere, efficiëntere en meer geharmoniseerde koopwarencirculatie. Die transformaties van de menselijke leefomgeving vinden voortdurend plaats, hoewel de snelheid ervan onophoudelijk lijkt toe te nemen.

 We willen hier een poging wagen om de Brusselse metropool-in-wording te ontleden. Een blik werpen op de vele ruimtelijke transformaties en een analytische schets maken van de sociale verhoudingen die er aan de basis van liggen, en er op hun beurt door beïnvloed worden. Een autopsie van de projecten die de macht aan het uitwerken is en die de omgeving waarin we overleven en strijden aanzienlijk aan het wijzigen zijn en zullen wijzigen. Uiteindelijk hopen we, vanuit onze ideeën en strijdlust voor vrijheid en sociale revolutie, doorheen deze autopsie een aantal pistes te kunnen halen die mogelijke aanvalsperspectieven aanwijzen.

Doorgangsstad of afvalberg?

Brussel krijgt vorm door twee, schijnbaar tegengestelde bewegingen die een aanzienlijke invloed uitoefenen op de sociale verhoudingen en het beheer van de sociale vrede. Langs de ene kant is deze stad, zoals zowat elke stad van een zeker formaat met een concentratie aan staatsinstellingen, economische troeven en een zekere internationale uitstraling een trekpleister en doorgangsstad, zowel voor proletariërs en armen als voor bedrijfskaders, internationale lobbyisten en de hele kliek aan spektakelverzorgers (van entertainment over journalisten tot kunstenaars).

Dit maakt dat de stad deels geen “stabiele” bevolking kent en sommige delen van de stad grijs en neutraal blijven, uitstekend geschikt voor de moderne koopwarencirculatie en controle. In die delen bepaalt de tijd van de overheersing de ruimte. Een ongelooflijke warboel tijdens de kantooruren en een akelige kerkhofstilte ’s avonds. De schijnbare neutraliteit van deze delen maakt ze tot ongenaakbare bastions van de macht. Die “onkwetsbaarheid” valt immers niet alleen te wijten aan de doorgedreven controle en bewaking, maar evengoed aan het feit dat ze “buiten bereik” lijken te liggen. Het spreekt voor zich dat een ‘andere’ aanwezigheid, zoals de rituele vakbondsbetogingen en burgerinitiatieven voor de zetel van één of andere instellingen in de Europese wijk de overheersing niet in vraag stellen, maar reproduceren. Dat zal ons echter niet doen vergeten dat deze zones af en toe ook in het vizier lijken te vallen van een eerder consequente straatcriminaliteit. Aan de rand van de Brusselse Europese of internationale zones valt er immers bijna altijd wel iets buit te maken en de potentiële tegenstand van de gemiddelde eurocraat is verwaarloosbaar.

Langs de andere kant komen er ook veel armen en migranten toe die blijven plakken in Brussel en de mozaïek van de arme Brusselse bevolking tekenen. Dat genereert al sinds jaren een hele laag stadsbewoners die eigenlijk overbodig zijn voor het kapitaal en het staatsbeheer. Velen vallen terug op communautaire constellaties waar naast sporen van wederzijdse hulp (maar vaak naar patriarchaal model), vooral een doorgedreven legale en extra-legale uitbuiting plaatsvindt die zeker niet moet onderdoen voor de uitbuiting in de industriezones rondom het Brusselse, integendeel.

Met het risico overdreven beeldtaal te gebruiken lijken sommige delen van Brussel een afvalberg te zijn. Menselijk afval, overbodig en miserabel, op zichzelf geworpen, maar goed omringd door een leger aan sociaal dienstbetoon en een eerder hardhandige en bijzonder aanwezige politiemacht. Het beheer daarvan is verre van gestroomlijnd en eerder chaotisch. Complexe mechanismes van communautaire opsluiting, cliëntelisme, ons-kent-ons, hardhandige repressie en selectieve integratie handhaven een soort van permanent heden waar verleden van geen tel meer is en toekomst dezelfde illusie is als het winnen van de loterij. Alles is erop gericht om de miserie binnen de afvalberg te houden. Om je een beeld te vormen van de segregatie die Brussel doorklieft en tegelijkertijd samenhoudt, volstaat het om éénder welke metrolijn van begin tot einde te nemen. Je zal vaststellen dat elke zone haar bewoners heeft. Aan sommige haltes stappen mensen op die caddies voortsleuren terwijl enige haltes verder je de eerste netjes geklede hogere klasse ziet opstappen met hun sporttas met tennisracket of laptoptassen. Het is dan ook geen toeval of ongerechtvaardigde gemeenheid van de macht dat zoveel repressieve inspanningen geconcentreerd worden op het openbaar vervoer. Hoewel broodnodig voor de warencirculatie die de moderne mens is, hoewel ware slagaders van de metropool-in-wording, openbaart het gemeenschappelijk vervoer ook de tegenstellingen die de maatschappij doorkruisen. Het vervoer naar de kampen van het kapitaal (arbeid, school, consumptie, administratie) zal altijd een mogelijk conflictueel terrein blijven voor degenen die óf niet geïntegreerd kunnen worden, óf niet geïntegreerd willen worden.

Onze wijk, de beste garantie voor de macht?

 De hoge concentraties aan armen in bepaalde Brusselse volkswijken en de ellende die ermee gepaard gaat, werkt evenwel geen afwijzing of negatie ervan in de hand. Integendeel. De identificatie met de “eigen buurt” (in tegenstelling tot de voorbijtrekkende bureaucraten of, op een andere manier, sans-papiers en ronddwalende proletariërs) en haar communautaire opdelingen is zeker aanwezig, ook al neemt die identificatie nog lang niet de perverse vorm aan zoals dat in andere metropolen geschiedt en waar we postcode-oorlogen zien uitgevochten worden. Maar zolang die identificatie en de relatieve autonomie die je kan terugvinden in bepaalde wijken (onder het goedkeurend oog van de leidende figuren, al dan niet verkozen, al dan niet in uniform) vooral gericht is op de reproductie van de kapitalistische verhoudingen, heeft de macht er uiteraard geen enkel probleem mee. In zekere zin is het de beste garantie dat de andere, “neutrale” delen van de stad gevrijwaard blijven van overspoeling door ellende of… revolte. De occasionele rellen en opstootjes die sommige Brusselse wijken kennen, ontsnappen in die zin niet aan de opsluiting en het beheer van de sociale vrede. Uiteraard kent die “isolatie” nog vele andere redenen, waaronder niet in het minste de eventuele steun en medeplichtigheid waarop relschoppers kunnen rekenen in hun “eigen” wijk. De rellen van oktober 2011 in de Matonge-wijk (nu even zonder in te gaan op de inhoud van deze rellen) zijn daar een goed voorbeeld van. Twee weken lang leek die wijk op een ontembare zone, ondanks het indrukwekkende arsenaal aan politiemacht, sociale bemiddeling en staatsterreur (schaamteloze foltering en mishandeling waren een constante). Maar het echte gevaar was zonder twijfel dat de rellen uitvallen zouden wagen naar een andere zone (bijvoorbeeld de Louisawijk met haar luxewinkels, bourgeoispubliek en gerechtsgebouwen) en zo mogelijks het vuur aan de lont konden leggen in andere wijken. De harde en genadeloze repressie die volgde op zo’n poging (de plundering van een juwelier op de Louizalaan tijdens een betoging) laten niet veel aan de verbeelding over.

De staat zet aan tot de opdeling van de metropool in wijken. Dit kan een contradictie lijken met de algemene tendens van gladstrijken en uniformisering die een metropool vereist, maar eigenlijk is het één en dezelfde beweging. Het beheer speelt afwisselend, tegelijkertijd of naar gelang de omstandigheden op beide terreinen. Met de uniformisering bestrijdt ze de mogelijke groei van een ander, mogelijk zelfs rebels ‘referentiepunt’ dan de overheersing (bijvoorbeeld een wijk waar duidelijk andere ‘codes’ of waarden naar voren geschoven worden); met de opdeling en scheiding in wijken bestrijdt ze de mogelijke herkenning onder rebellen voorbij het territoriale aspect. Gezien deze dubbele, maar enkelvoudige beweging is het onmogelijk om daar een onveranderlijk perspectief tegenover te plaatsen; bijvoorbeeld van bepaalde wijken verzetsbastions te willen maken of net omgekeerd, alle bestaande specificiteiten en mogelijkheden in bepaalde wijken a priori verwerpen. De dubbele beweging van de macht moet in asymmetrische zin tegengegaan worden.

Ondanks de grote limieten valt niet te ontkennen dat sommige Brusselse wijken moerassen zijn waar de revolte geen onwelkome gast is. Het zijn moerassen die minder makkelijk doordringbaar zijn voor de ordehandhavers en waar regelmatig gekozen wordt om over te gaan tot de aanval. In die zin laten ze meer ruimte toe voor dialoog tussen verschillende vrijheidslievende rebellieën, maar die ruimte moet permanent en telkens opnieuw veroverd worden op de regulerende mechanismes binnen de wijk, zoals de “grote broers”, de managers van de drugstrafiek en de racistische of nationalistische reflexen van de gemeenschappen. Die ruimte kan niet alleen bekomen worden door een intensieve aanwezigheid, maar zeker ook door specifieke strijdvoorstellen te doen en die consequent uit te voeren. Herkenning in een gemeenschappelijke revolte en zelfs medeplichtigheid behoort zeker tot de mogelijkheden.

De huidige projecten voor stadsontwikkeling spelen een dubbele rol in het beheer van de wijken. Langs de ene kant is er de integratiecomponent en langs de andere de segregatiecomponent. Neem bijvoorbeeld de renovatie en opwaardering van de kanaalzone die Molenbeek scheidt van Brussel-stad. Het gaat hier over een gigantisch project om de conflictuele grens tussen arm en rijk, tussen actieve burger en afvalproleet enkele tientallen meters op te schuiven. Maar die tientallen meters zijn betekenisvol en worden er honderden op enkele jaren tijd. Ze vervullen dezelfde functie als de gracht rond de middeleeuwse burchten. De vestingmuren van de repressie en de macht zijn al lang niet meer alleen van gewapend beton, prikkeldraad en tot op de tanden toe gewapende huurlingen. Een opgewaardeerde wijk met haar nieuwe culturele codes, haar toegang tot de taal van het spektakel en het burgerschap, haar toegang tot gedifferentieerde consumptie en hoogtechnologische toepassingen tekent een virtuele scheidslijn die nog slechts door een buitengewoon wilde revolte kan doorbroken worden, een revolte die geen enkele illusie meer koestert over de waarden die de macht uitdraagt en niets meer wil van wat ze aan te bieden heeft. En het vraagt niet veel inspanning om te beseffen dat zulke revoltes zeldzaam zijn, ingekapseld als we zijn in het spektakel van de koopwaren en de sociale vrede.

 

De bouw van nieuwe kampen en tempels

De Brusselse autoriteiten, daartoe aangespoord of zelfs gedwongen door haar nationale en internationale evenknieën, lijken een einde te willen maken aan de chaotische wildgroei die het urbanismebeleid decennialang gekend heeft. De maffieuze en cliëntelistische projecten voor de bouw van torens, kantoren en winkelcentra die meer beantwoordden aan de geldhonger van één of andere politicus of ondernemer (de voorbeelden daarvan in Brussel zijn legio) maken plaats voor een alsmaar meer gehomogeniseerd en rationeel ontwikkelingsbeleid.

De bouw van nieuwe kampen vindt plaats in de vier uithoeken van Brussel. Van het nieuwe shoppingcenter in Machelen, over het congres- en koopcentrum op de Heizel en het nieuwe Navo-hoofdkwartier in Evere tot de nieuwe gevangenis in Haren en de heraanleg van de Anderlechtse industriezone en de verschillende, lokale, wijkgebonden “bedrijfsincubators”: overal bouwen staat en kapitaal nieuwe kampen en tempels. De achillespees, of beter gezegd, de fundamentele voorwaarde voor het welslagen van al deze projecten is uiteraard de toegankelijkheid. Die achillespees heeft een naam en is de hefboom die van Brussel een ware metropool moet maken: het GEN-netwerk. Met de uitbouw van een Gewestelijke transportnet wil de macht een vlotte en veilige verbinding garanderen tussen de kampen, nieuw en oud en de circulatie van arbeidskrachten bevorderen tussen de groeiende, snel proletariserende ‘voorsteden’ en de commerciële en administratieve harten van de metropool. Dat GEN-net is ook geen ééndagsvlieg: het project neemt nu al jaren in beslag en men hoopt dat het rond 2025 operationeel zal zijn. Uiteraard is dat GEN-net de kapstok voor nog andere mobiliteitsprojecten zoals de aanleg van nieuwe metrolijnen (zoals bijvoorbeeld een rechtstreekse verbinding tussen Schaarbeek en de Europese wijk, met de bedoeling om sommige delen van Schaarbeek op korte tijd nog meer nestelplekken voor eurocraten, lobbyisten enzovoort te laten worden), de uitbreiding van de ring rond Brussel of de uitbouw van nieuwe transitzones zoals de renovatie van het Schuman-station. Dit alles past perfect binnen de logica van het kapitaal dat de mogelijke spanningen en tegenstellingen die gegenereerd worden door de uitbuiting en de ongelijkheid altijd probeert op te lossen door die uitbuiting uit te breiden, waardoor de kruimels dan, volgens de goede oude sociaal-liberale logica van de marktwetten, in absolute zin alsmaar groter zouden moeten worden.

Eén van de fundamentele kenmerken van een metropool is de opdeling van het grondgebied in zones naargelang hun functie: wonen, consumeren, werken, administreren enzovoort. Dat laat dan ook een gedifferentieerde controle toe, en zelfs een relatieve afgrendeling in geval van onlusten. De gestage toename van het aantal armen in en net buiten de Brusselse rand (Aalst, Ronse, Tubize, maar ondertussen ook al Dendermonde en Mechelen) is uiteraard het gevolg van het urbanismebeleid van de metropool-in-wording. Wederom zal het GEN-transportnet hierin een fundamentele rol spelen door de verbinding tussen woonplaatsen van de arme arbeidskrachten en de arbeidszones te verzekeren.

Ook de Europese zone is zoals goed zichtbaar is, permanent in uitbreiding. Ze is niet alleen een knooppunt van internationaal verkeer en macht, ze moet ook, met het zicht op een mogelijke verdere centralisering binnen de Europese Unie, klaargestoomd worden om haar functie als hoofdstad van de Europese Macht te vervullen. Daarbij worden op erg agressieve wijze stukken woonwijken aangevreten en opgeslokt, verkeersassen gewijzigd en doorgangsmogelijkheden beperkt. De fysieke inplanting van de Europese wijk laat ook een totale, militaire afgrendeling toe die ondertussen dagelijks brood is geworden met de opeenvolging aan Europese toppen en internationale ontmoetingen. Nog geen handvol straten afzetten en twee tunnels dichtgooien en de Europese wijk wordt een zelfbestendigend bastion.

De overheersing is opgebouwd uit sociale verhoudingen, of beter, is een sociale verhouding en in die zin is ze overal evenveel en evenzeer. Dit neemt niet weg dat alle sociale verhoudingen ook hun fysieke belichaming hebben en de overheersing slechts een ijdel idee zou zijn mocht ze zich niet concretiseren in gebouwen en mensen. Die gebouwen en mensen bevinden zich overal, maar niet overal in dezelfde concentratie. In het perspectief van opstandige aanvallen mogen we onder geen enkel beding toegeven aan de chantage van de macht die ons een speeltuin toewijst. De insurrectionele en subversieve benadering van de ruimte van het kapitaal en de autoriteit kan er alleen maar één zijn van autonomie: zelf de plaatsen en terreinen van de botsing kiezen en alle opgelegde rollen (die zich evengoed afspelen in de fysieke ruimte) doorbreken en overstijgen. In zekere zin zit de essentie van het insurrectionele fenomeen in het fysieke overschrijden van een drempel die, op die specifieke plaats en op die specifieke manier, de grens trekt tussen de orde en de revolte, tussen de autoriteit en de opstandelingen. Het is evident dat die kwestie niet kan herleid kan worden door het achterhalen van één of ander hart van de overheersing; het is in de omstandigheden van de botsing en in de uitdrukkingen van de opstandige verlangens dat die beruchte “drempels” duidelijk zouden kunnen worden.

Het spektakel van de sociale vrede

Naast in essentie economische en politieke kampen, woedt ook volop de bouwwoede van nieuwe woonprojecten en eenheden. Het recept is niet nieuw: de inplanting van beveiligde, afgeschermde en comfortabele of luxueuze wooneenheden aan de rand van of zelfs middenin ‘achtergestelde’ buurten. Deze projecten worden uitgestippeld door het urbanismebeleid van het Brusselse gewest en uitgevoerd door enerzijds een aantal grote bouwbedrijven, anderzijds kleinere ondernemers uit desbetreffende buurten die veel subsidies op zak steken en alle arbeidsreglementeringen vlotjes aan hun laars lappen. Zulke projecten volgen de omgekeerde weg van de theorie van de gebroken ruit: door hun aanwezigheid komt er een hele resem veranderingen op gang. Pleinen worden heraangelegd en “geneutraliseerd”, er komen duurdere winkels om te beantwoorden aan een ander consumptiepatroon en dat te stimuleren, preventie en repressie van diefstal en criminaliteit wordt opgedreven, allerhande ‘sociale’ projecten proberen de armere bewoners te doen wennen aan en in te doen stemmen met de aanwezigheid van een rijkere middenklasse die de ‘gezelligheid’ van een volkswijk wel kan smaken.

Daarnaast geven de autoriteiten zichzelf ook alsmaar meer middelen om de strijd aan te binden met de verloedering, en dus met de “verloederaars”. Verschillende Brusselse gemeentes hebben reeds hun voornemen bekend gemaakt om bijvoorbeeld leegstaande panden op hun kosten te renoveren en te verhuren, mét instemming van de eigenaar die het pand dan enkele jaren later weer terugkrijgt. Op meer repressief vlak zijn er de talloze campagnes voor burgerzin, al dan niet geflankeerd door artistieke collaboratie, die de gewoontes van het klootjesvolk moeten veranderen en hen inlijven in het gehoorzame burgerleger. De campagnes tegen sluikstort bijvoorbeeld hebben uiteraard niets van zien met de wens van de autoriteiten om de “leefbaarheid” te verhogen, maar alles met sociale controle doorheen een fijn spel van preventie en repressie. De Gemeentelijke Administratieve Sancties waarmee “onbeschaafd gedrag” beboet kan worden door zowat éénder welke ambtenaar moeten daarbij de stok achter de deur vormen. Het mag niet verbazen dat de hele linkse en syndicalistische goegemeente zich op sleeptouw laat nemen door deze strategie en vaak zelfs de voorhoede vormt in het aanreiken van ‘sociale projecten’. De geoliede machine van de vzw’s en verenigingen in het Brusselse, opgebouwd door jarenlang cliëntelisme en politiek, is een erg krachtige demper op de sociale oorlog. Het doel van deze vzw’s is, zonder onderscheid en voorbij alle goede bedoelingen van de betrokken individuen, de promotie van het spektakel van de sociale vrede en de integratie in het systeem. Daarenboven worden ze keer op keer gebruikt om het stemvee te mobiliseren wanneer het weer tijd is om een bolletje aan te vinken, ook al blijft het voor hen vechten tegen de bierkaai gezien de grote onverschilligheid of zelfs vijandigheid onder de armen tegenover de partijpolitiek.

Tenslotte moeten we ook nog een ander aspect onderlijnen van het beheer van de sociale vrede in Brussel: de maffieuze politiek. Vele burgemeesters of andere gemeentelijke verantwoordelijken zitten tot over hun nek in de maffieuze stront en zijn vertegenwoordigers of knooppunten van legale, para-legale en illegale economische belangen. Het veroorzaakt al lang geen schandaal meer dat schepenen van huisvesting zelf aan huisjesmelkerij doen, dat “chauffeurs” van burgemeesters betrokken zijn in wapenhandel, dat politieagenten en bepaalde politiekantoren belangrijke draaischijven van cannabis, cocaïne en heroïne-handel zijn, dat Brusselse chefs van de Federale politie beste maatjes zijn met bepaalde bouwbedrijven als het gaat om, bijvoorbeeld, de bouw van een nieuwe hoofdkwartier voor de Federale. En het is niet zo dat al deze maffieuze relaties aan de top in het diepste duister geschieden: het aantal conferenties, diners, feestjes, ontmoetingen, trefplekken worden groot en breed uitgesmeerd, de toegang wordt toch verzekerd door één of andere maffieuze clan of de politie. Het is duidelijk dat het meer gehomogeniseerd ontwikkelingsbeleid van Brussel geen korte metten wil of kan maken met deze ‘tradities’, maar ze eerder zal inkapselen en omkaderen.

Repressieve structuren

Eén van de repressieve tactieken die de staat altijd al gebruikt heeft is eenvoudigweg om de kwantiteit en aanwezigheid van het aantal repressieve krachten in de leefomgeving te verhogen. In kwantitatieve cijfers uitgedrukt behoort Brussel tot de top drie van de Europese steden met de grootste concentratie aan politieagenten ten opzichte van de totale bevolking. De interventietijden van patrouilles in het merendeel van de Brusselse wijken steken met kop en schouders uit boven de Europese gemiddelden. Ook is er een dichte aanwezigheid van commissariaten in het stadsweefsel, commissariaten die momenteel zowat allemaal een opknapbeurt aan het krijgen zijn: camera’s op elke hoek, geblindeerde ramen, afgesloten parkings… enfin, alles wat kan helpen om aanvallen en agressies te voorkomen. De commissariaten krijgen met de uitbreiding van het camerabewakingsnet nu ook nog een andere functie, die wijst op een tendens richting decentralisering van de interventiecapaciteit: de beelden van de bewakingscamera’s worden niet alleen doorgestuurd naar de centrale controlekamer, maar ook naar de lokale commissariaten. En om het plaatje volledig te maken zien we ook dat er de laatste jaren nieuwe gespecialiseerde politie-eenheden in het leven werden geroepen. Zo zijn er het permanent beschikbare bijstandsteam van de federale politie en de anti-agressiepatrouilles die circuleren in uniform en in burger.

De uitbreiding van de bewakingscamera’s maakt momenteel kwantitatieve en kwalitatieve sprongen. Langs de ene kant worden alsmaar meer camera’s neergepoot waardoor sommige stadsdelen, volgens de politie, ondertussen zowat volledig ‘gedekt’ zijn; langs de andere kant worden ‘intelligente’ camera’s neergepoot, uitgerust met gesofisticeerde software voor gedragsherkenning en geluidsopname. Ook de integratie van privé-cameras in het observatie- en speurwerk van de politie is aan het versnellen, mede door de beschikbaarheid van nieuwe krachtige technologieën. Hand in hand met de plaatsing van politiecamera’s worden subsidies uitgereikt aan alle particulieren die bewakingscamera’s installeren aan hun huizen, in hun winkels,… waardoor het net alsmaar fijnmaziger wordt.

Naast de klassieke politie zien we zoals in alle andere steden ook een toename van het aantal privé-bewakers en een hele reeks aan nieuwe uniformen en controleurs. Ze mogen dan wel beperktere bevoegdheden hebben dan de politie, ze spelen in feite de rol van verklikkers en informanten. Neem nu de stadswacht. Gerekruteerd uit de onderlagen van de bevolking worden deze paarse uniformen de straat opgestuurd. Elke dag worden ze verondersteld een rapport op te maken over hun vaststellingen en bevindingen, bijvoorbeeld het signaleren van graffiti en slogans waardoor die dan sneller verwijderd worden. Of nog de parkeerwachters: tegenwoordig nemen die foto’s van elke auto die geen parkeerticket gekocht heeft (of er verdacht uitziet!). Het spreekt voor zich dat dit de detectie van gestolen wagens, achtergelaten voertuigen,… bijzonder vergemakkelijkt heeft. De politie stak in haar jaarverslagen haar tevredenheid daarover trouwens niet onder stoelen of banken. De vermenigvuldiging van het aantal controle-functies beantwoordt langs de ene kant aan de tactiek van de repressieve aanwezigheid en langs de andere kant de idee dat door mensen aan de slag te krijgen, zelfs gewoon door ze te laten rondlopen, de sociale vrede makkelijker bewaard kan worden. In essentie is de redenering bijzonder eenvoudig: waarom zou de staat mensen uitkeringen geven om ‘niets’ te doen terwijl het haar exact evenveel kost om die mensen een minimumloon te geven en als controleur de straat op te sturen?

De tendens van de repressieve aanwezigheid kan maar moeilijk of gewoonweg niet bestreden worden op een symmetrische manier. De revolte moet proberen haar eigen terreinen te vinden die niet omsingeld of bezet worden door de repressie: de frontale confrontatie lijkt ons momenteel allerminst aan de orde van de dag. Daarentegen zal het altijd mogelijk blijven om aan te vallen daar waar ze het niet verwachten, daar waar het duister ons doet ontsnappen aan de spiedende ogen van de repressie. De tactiek van opgedreven repressieve aanwezigheid probeert de rebellen te vangen in een raster van voorspelbaarheid; tegen de onvoorspelbaarheid en verspreiding van de aanvalspraktijken kan ze weinig of niets aanvangen. Tot op zekere hoogte kan de massieve aanwezigheid van ordetroepen zelfs dienen als een bliksemafleider voor de revolte: in plaats van aan te vallen wat ze proberen beschermen leidt de overdreven fixatie op de repressiekrachten tot blindstaren en verstarring van de rebellen. Daarmee willen we niet gezegd hebben dat we zomaar terreinen moeten prijsgeven aan de oprukkende repressie, maar wel dat het misschien tijd is om op dit vlak, net zoals op andere vlakken, af te stappen van de oude idee van verdediging, om radicaal de stap te wagen naar de keuze voor het offensief, voor altijd en overal het initiatief te proberen nemen en niet op sleeptouw te worden genomen door de repressie.

 

De infrastructuren van de metropool

We benadrukten reeds het belang van de transportassen en het openbaar vervoer in de uitbouw van de Brusselse metropool en kunnen dezelfde redenering uitbreiden naar alle infrastructuren die de circulatie van koopwaar, mensen en informatie mogelijk maken, bevorderen en stroomlijnen. Een metropool is immers een knooppunt waar de snelheid van de kapitalistische circulatie een belangrijk, zoniet de belangrijkste, indicator is van de economische macht. Het is vandaag niet mogelijk om je een Europese metropool in te beelden die niet volledig gedekt is door het draadloos telefonienetwerk, niet via verschillende parallelle lijnen en interconnecties in het hoogspanningsnet zowat “zeker” is van haar elektrische stroom, niet beschikt over duizenden kilometers glasvezel waarlangs de digitale communicatiestroom loopt. Dat hele net is de ruggengraat van de moderne metropool en eveneens, ondanks de beveiliging en dubbelschakelingen, bijzonder kwetsbaar.

Het is via deze vitale structuur van het kapitaal dat de overheersing een aanzienlijk deel van haar repressieve sociale controle verwezenlijkt. Het behoeft geen verregaande uitleg meer hoe elke burger die in het bezit is van een gsm permanent en a posteriori kan gevolgd worden, en ook gevolgd wordt, net zoals de digitalisering en koppeling van verschillende gegevensbanken aan de overheersing een vrij accurate kaart geeft van het sociale veld. De scheidslijnen die de metropool trekt in haar bevolking zijn veelvoudig (arm/rijk, integratie/segregatie, papieren/geen papieren,…) en één daarvan concretiseert zich alsmaar meer in de technologische opdeling van de maatschappij. Vandaar ook die hele golf aan workshops, opleidingen en trainingen allerhande waar mensen worden binnengevoerd en vertrouwd geraakt met onontkoombaarheid van de moderne communicatietechnologieën. De overheersing dringt via haar technologie en de domesticatie die ermee gepaard gaat diep door in het menselijke wezen, zijn relaties en de beleving van zijn leefomgeving. Voor sociale conflicten is het duidelijk dat een deel van de potentieel explosieve mengsels van woede en bepaalde omstandigheden overgeheveld en geneutraliseerd worden in de virtuele sfeer. Laat er geen twijfel over bestaan: de huidige propaganda over de “sociale media” en de communicatietechnologieën binnen ieders handbereik als waren ze ook hefbomen voor sociale veranderingen of zelfs revolutie dient uitsluitend en alleen de integratie binnen het kapitalisme. Op klare manier wordt gezegd: “Zonder ons zou je zelfs niet meer kunnen revolteren.” Het revolutionaire perspectief zit dus gekneld tussen de onontkoombaarheid van de technologie en de nood om er totaal mee te breken indien waarachtige, rebelse ruimtes en momenten willen gecreëerd worden waar subversie mogelijk wordt. En dat is een wurggreep waar niet makkelijk aan ontkomen wordt en die diepe vragen opwerpt over de mogelijkheid van revolutionaire interventie in de sociale werkelijkheid.

 

Naar de onverhoopte ontmoeting…

De Brusselse metropool-in-wording, of “openluchtgevangenis” zo je wil, beschikt zoals we zagen over een heel arsenaal aan middelen en mechanismes om om te gaan met partiële conflicten en rebellieën. In plaats van daartegenover op ijdele wijze de nood aan een revolutionaire totaliteit te plaatsen, lijkt het een interessanter perspectief om na te denken over hoe dat revolutionaire alles, die totale invraagstelling van de maatschappij waarin we leven, kan groeien uit de mozaïek van de verschillende conflicten.

 

Het werd al wel eens gezegd. Bepaalde ontmoetingen worden niet verondersteld plaats te vinden. Het beheer van de sociale vrede doet er alles aan om die ontmoetingen te bemoeilijken en onmogelijk te maken. De fragmentering en versplintering van de sociale conflictualiteit genereert een hele reeks aan kortstondige, maar gewelddadige en radicale opstoten, maar het ontbreekt aan banden, herkenningspunten, bruggen tussen die opstoten. Niet in naam van één of andere absorptie in één totaalvisie, maar om de conflicten, daar waar die zich concretiseren, te verbinden met andere conflicten. Zulk agitatie- en strijdperspectief is de radicale ontkenning van alle politiek die mensen voor haar kar wil spannen, maar het is een perspectief waarbij we moeten leren om de “angst” te laten varen om niet alles te begrijpen, niet alles onder controle te hebben. De huidige anarchistische en revolutionaire interventie en strijd kan niets meer van zien hebben, ook niet in gecamoufleerde vorm, met het vertegenwoordigende model (“in naam van het proletariaat”, “in naam van de gevangenen”, “in naam van de onderdrukten”), maar moet beseffen slechts één van de strijdende krachten te zijn die actief bezig zijn met de vernietiging van het bestaande.

Het perspectief van een specifieke strijd in een stad als Brussel, zoals bijvoorbeeld de strijd tegen de bouw van de grootste gevangenis van België, kan zich dan ook niet beperken tot het volgen van het eerder ‘klassieke’ model van insurrectionele interventie. Op een zekere manier zou zulke specifieke strijd een consistente springplank moeten bieden om in de brede sociale conflictualiteit te duiken, erin duiken met onze eigen praktijken en ideeën. Erin verdrinken is een mogelijkheid, maar een aantal subversieve, misschien zelfs insurrectionele deiningen creëren is wat de kameraden die zich engageren in zulke strijd voor ogen zouden moeten houden. De kwestie is immers niet om iedereen achter de vlag van de strijd tegen de nieuwe gevangenis te scharen, maar eerder een strijd te voeren die kan dialogeren met de andere rebellieën, op andere terreinen. Een insurrectioneel perspectief is dus niet de concentratie van de rebelse energie op één enkelvoudig terrein, maar de uitbarsting van dat terrein, een uitbarsting die zich concretiseert in een intensifiëren van alle conflicthaarden. Daar zit de onverhoopte ontmoeting.

Leave a Reply