Contouren van een strijd tegen de bouw van een nieuw gesloten centrum

 

Dit overzicht van de strijd tegen de bouw van het nieuwe gesloten centrum in Steenokkerzeel heeft geen enkele pretentie tot volledigheid, noch objectiviteit. Het probeert gewoonweg een kader mee te geven dat ieder in staat kan stellen om kritieken en theoretische bedenkingen, methodologische uitdiepingen over een project van specifieke strijd mogelijk te maken. Een overzicht impliceert noodzakelijkerwijze een schematisering die niet exact samenvalt met de werkelijkheid, en nog veel minder met de intensiteit van zij die in de werkelijkheid leefden, dachten, voelden en handelden.

De keuze voor een autonoom project van specifieke strijd

In de zomer van 2009 vinden de eerste discussies onder kameraden plaats over de mogelijkheid van een specifieke strijd tegen de bouw van het nieuwe gesloten centrum in Steenokkerzeel. Deze keuze kwam voort uit een zekere analyse van de sociale en economische omstandigheden en de evolutie (of eerder, het uitdoven) van de strijd op het terrein voor een algemene regularisatie, en vanuit de opgedane ervaringen met agitatie op straat en met offensieve solidariteit met de vele revoltes en opstanden in de gevangenissen en de gesloten centra. Die keuze zou het mogelijk maken om een autonoom strijdproject te ontwikkelen, met andere woorden, een strijd die niet louter afhankelijk is van externe factoren, die voldoende kracht put uit zichzelf om niet achter de feiten aan te hoeven hollen, die zichzelf de middelen geeft die gepast geacht worden, die haar eigen tijdskader kan bepalen. De keuze voor een autonoom strijdparcours zou het ook mogelijk maken om andere mensen die op radicale basis willen strijden, die rebelleren te ontmoeten op een terrein dat niet besmet is door de politiek, de vertegenwoordiging, het uitstel of de louter kwantitatieve logica.

Een uitnodiging tot strijd begon te circuleren onder verschillende groepen kameraden en in verschillende steden. Dat zou aanleiding geven tot een soort van informele ontmoetingsruimte tussen individualiteiten en affiniteitgroepen uit verschillende hoeken van het land; een discussieruimte waar de perspectieven van de strijd konden uitgediept worden, zonder daarom één grote groep te vormen die alles samen besliste of het over alles eens moest zijn.

De stilte breken

Vanaf september 2009 werden de eerste stappen gezet om de bouw van het nieuwe gesloten centrum bekend te maken en de (relatieve) stilte daaromtrent te doorbreken. Er vonden tientallen initiatieven van pamfletverspreidingen op straat, in de metro’s, in de stations, in verschillende wijken (vooral in Brussel maar niet alleen) plaats. Er werden posters gemaakt die niet alleen de “stilte” probeerden doorbreken en het thema bekend te maken, maar ook om onze redenen om tegen de bouw van dit nieuwe gesloten centrum te strijden uiteen te zetten en te verbinden met een algemene kritiek op de wereld van uitbuiting en onderdrukking. Deze “agitatie” richtte zich tot allen die wilden strijden, en niet specifiek tot bepaalde categorieën (sans-papiers, bijvoorbeeld). Vanaf het begin werd de keuze gemaakt om niet samen te werken met wat voor politieke krachten dan ook, een keuze die gedurende de hele strijd nooit in twijfel zal getrokken worden, maar ons direct te richten tot degenen die willen strijden en revolteren op een directe, zelfgeorganiseerde en anti-institutionele basis.

Er vonden ook bescheiden sabotage-acties plaats die op een iets meer indringende manier probeerden inbreken op de dagelijkse routine om het probleem van de bouw van het gesloten centrum op te werpen, zoals bijvoorbeeld de sabotage van tientallen ticketautomaten van de STIB in Brussel, van de centrale kantoren van De Lijn in Leuven, brandstichtingen tegen bankautomaten in Gent of een kleine binnendringing op de werf van de nieuwbouw in Steenokkerzeel. En in oktober 2009 vallen enkele tientallen gemaskerden in Gent de kantoren binnen van Besix, de hoofdaannemer van de nieuwbouw, en verwoesten er de inboedel. Die aanval zal heel wat echo’s veroorzaken in de pers, die opschrikt van het bestaan van radicale tegenstanders van de bouw van het nieuwe gesloten centrum, gewend als ze waren om meewarig te doen over strijden van bijvoorbeeld sans-papiers die gebouwen bezetten of over opstanden in de gesloten centra. De toon was enigzins gezet…

De identificatie van de vijand en de verspreide aanval

Over het algemeen, en in zoverre zulke waardering interessant geacht wordt, kan gesteld worden dat er in de straat veel “sympathie” bleek te leven voor deze strijd, voor een radicale strijd. Het is niet zo, zoals ook kan gebeuren, dat de kameraden botsten op een muur van onverschilligheid en gelatenheid. Meer nog, de “specificiteit” van het aspect van de macht dat we bekritiseerden (het gesloten centrum en de deportatiemachine) werd snel overschreden en verbonden met de kritiek van de gevangenis, de rudimentaire kritiek van de uitbuiting enzovoort. Verschillende pamfletten en een éénmalig nummer schoven analyses naar voren, ingebed in en vertrekkende vanuit de specifieke strijd tegen de nieuwbouw, die dit aspect verbonden met algemenere antiautoritaire en anarchistische ideeën, met de andere aspecten van de overheersing.

Maar er was niet alleen nood aan ideeën, perspectieven en analyses, er is ook nood aan concrete aanzetten om de vijand aan te vallen, aan heldere aanwijzingen voor directe actie. Er moest nagedacht worden hoe de bouw van het gesloten centrum concreet kon gesaboteerd worden, hoe de deportatiemachine aangevallen kon worden in een perspectief van vernietiging (en niet van hervorming, verbetering, aanpassing, etc.). Eén van de voorstellen die de hele strijd lang gedragen werd en haar veel kracht gaf, was het voorstel van de verspreide aanval. Kleine, makkelijke en verspreide aanvallen tegen het monster. Maar het monster moet geïdentificeerd worden: haar tentakels, haar ingewanden, haar uitwerpselen,… liggen binnen het handbereik van elkeen. De bouw van het centrum werd ontleed: welke bouwbedrijven, welke architecten, welke instanties, welke toeleveringsbedrijven werken er aan mee; de deportatiemachine werd ontleed: welke bedrijven, organisaties, instellingen, openbare diensten doen haar draaien; de onderliggende verbanden tussen de wereld van deportaties en de andere repressieve aspecten van de overheersing: politiestructuren, repressieve instellingen, gevangenissen, scholen, psychiatrische centra,… “Migratiebeheer” kan niet aangevallen worden, wat wel aangevallen kan worden zijn de concrete belichamingen, structuren en mensen die het migratiebeheer mogelijk maken.

Veel van die aspecten, structuren en mensen zijn in de loop van de strijd aangevallen geweest, met uiteenlopende middelen, maar altijd in een optiek van directe, onbemiddelde en autonome actie. Als je er de verslagen van de Belgische senaat1 op wil geloven, vonden er alleen al van de lente van 2009 tot december 2009 meer dan honderd aanvalsacties plaats tegen instellingen, bedrijven, organisaties, structuren die verband houden het gevangeniswezen; gaande van bekladding, sabotage, vandalisme tot brandstichting. Sommige van die aanvallen werden gecommuniceerd of opgeëist via kanalen van “de beweging”, de overgrote meerderheid vond plaats in de schemer van de anonimiteit. Hoewel het naar buiten komen van bepaalde aanvalsfeiten zeker belangrijk is om ideeën, enthousiasme en moed te kunnen geven aan andere rebellen, is het onomstotelijk een feit dat pas wanneer een actie anoniem is, ze ook effectief aan iedereen kan toebehoren. Een specifieke strijd vertrekt dan wel uit een bescheiden groep van kameraden, maar vanuit een insurrectioneel perspectief kan de bedoeling nooit zijn om van die bescheiden groep een soort van “gewapende elite” te maken. Het gaat erom de omstandigheden te creëren voor een verspreide vijandigheid en conflictualiteit; en zulke conflictualiteit heeft geen nood noch boodschap aan politieke vertalingen.

Wie gelooft dat de sociale conflictualiteit kan gereduceerd worden tot een optelsom van het aantal aanvalsfeiten (die daarenboven slechts zelden of in verminkte vorm de media halen, de perslakeien van de macht willen niemand op slechte ideeën brengen), houdt er een kwantitatieve en politieke visie op na. Er bestaan geen meetschalen of statistieken voor subversieve spanningen en praktijken. Dit neemt niet weg dat er zonder omhalen gesteld kan worden dat de specifieke strijd tegen de nieuwbouw van Steenokkerzeel niet beperkt bleef tot een groep kameraden en dat deze strijd onomstotelijk heeft bijgedragen tot een intensifiëren van de diffuse vijandelijkheden.

Een samenloop van omstandigheden

In november 2009 vond in het Brusselse een betoging plaats tegen de bouw van het nieuwe gesloten centrum die op voorhand ruim aangekondigd werd. De dag voor de betoging vonden in het Brusselse Anderlecht rellen plaats: een aanzienlijke groep stak het politiekantoor in brand nadat bekend raakte dat diezelfde politiezone bij het overnemen van de taken van de cipiers in de Brusselse gevangenis van Vorst verschillende gevangenen had gefolterd. Elders in België, zoals in Andenne, braken revoltes uit in de gevangenissen. Het klimaat stond op scherp, de spanning in sommige Brusselse wijken liep hoog op en de strijd tegen het nieuwe gesloten centrum was op “kruissnelheid”.

Eens te meer bleek dat er geen gegronde redenen bestaan om “af te wachten”. Pas wanneer je mentaal en praktisch voorbereid bent op het plotse intensifiëren van de sociale conflictualiteit, bijvoorbeeld doordat je een project aan het uitwerken bent, kan je inspelen op wat er rondom jou gebeurt. Daarenboven is de sociale conflictualiteit iets dat zeker intensere en minder intensere momenten kent, maar uiteindelijk, in onnoemelijk veel verscheiden vormen, latent aanwezig is. Het gaat er niet om er een visie van de kip of het ei op te plakken, maar de specifieke strijd die gevoerd werd tegen de nieuwbouw in Steenokkerzeel speelde in op, en kende haar plaats binnen een bredere sociale conflictualiteit. Het liet toe om niet alleen revolte en directe aanvallen tegen de autoriteit voor te stellen, maar ook om anarchistische en antiautoritaire ideeën te verspreiden in de schoot van die conflictualiteit. Eens je zelf de strijd aangaat en een strijdproject ontwikkelt is er geen sprake meer van “binnen of buiten” de conflictualiteit te staan. Je bent er deel van, een deel, met de eigen praktijken en verlangens, die al dan niet de rest van de conflictualiteit kunnen beïnvloeden, besmetten, provoceren.

In het Brusselse ontstond naar het einde van 2009 een soort van losse, antiautoritaire coördinatie die toeliet om bepaalde discussiepunten met betrekking tot de strijd op tafel te leggen. De aanwezigheid in de Brusselse wijken, het smeden van banden tussen de strijd tegen de nieuwbouw in Steenokkerzeel en andere revoltes en conflicten, de “ontmoeting” tussen een antiautoritair strijdproject en de algemene sociale conflictualiteit,… dat waren de kwesties die toen prangend waren.

Verdergaan

Welke strijdvoorstellen, welke projectualiteit proberen ontwikkelen in zulk gunstig klimaat? Hoe de ideeën en analyses verder uitdiepen? Vragen die niet gemakkelijk te beantwoorden waren. Zoals al gezegd werd, was één voorstel om concreet te strijden de diffuse aanval. Maar volstond dat? Welke andere strijdvoorstellen konden er gedaan worden?

Naast de meer “klassieke” vormen van propaganda zoals pamfletverspreidingen, posters, graffiti en tentoonstellingen op straat, werd er geëxperimenteerd met andere vormen. Zo vonden er tientallen “ballades” plaats, kleine betogingen die niet gericht waren op het tellen van het aantal deelnemers, maar op het doorbreken van de dagelijkse routine, het verspreiden van propagandamateriaal en ideeën, het aanwijzen van de strijdmogelijkheden en de concrete structuren van de vijand,… en die eveneens een mogelijke “spontane deelname” moesten toelaten. Er vonden ook vele andere kleine anonieme acties plaats die aanspoorden tot strijd. Enkele dagen voor Kerstmis werd in de buurt van Steenokkerzeel bijvoorbeeld het Jezus-beeldje uit de kerststal gegijzeld om de sluiting van alle gevangenissen te eisen; of verstoorden een groep onbekenden het middagmaal in de Sodexo-kantine aan de Brusselse universiteit door een deel van het voedsel te onteigenen en de rest al even onverteerbaar te maken als de verantwoordelijkheid van dit bedrijf in de deportatiekampen.

Daarnaast werd er ook nagedacht over organisatorische voorstellen naar anderen die wilden strijden, voorstellen gericht op directe strijd, op aanval en zelforganisatie, tegen het nieuwe gesloten centrum. Kleine organisatorische structuren of plaatsen in de Brusselse wijken die konden dienen als ontmoetingspunten en referentiepunten voor de strijd. Die referentiepunten konden bijvoorbeeld een strijdbare bezetting van een leegstaand gebouw zijn; een bezetting niet gericht op het blijven bestaan van de bezetting, maar op het tijdelijk creëren van een radicaal trefpunt. Ook de vorming van wijkcomités, zelfgeorganiseerd en gericht op aanval, kwam ter sprake. Maar het zou jammer genoeg bij “nadenken” blijven…

Wat wel verwezenlijkt werd, was een permanente strijdassemblee, een discussieruimte toegankelijk voor iedereen die wilde strijden. Die assemblee liet zeker toe om aan aantal kwesties uit te diepen; heeft zonder twijfel in zekere mate gediend als ontmoetingspunt dat buiten de specifieke, antiautoritaire kringen lag (of alleszins, voor anderen toegankelijk was). Maar ze kan niet beschouwd worden als een gepast, geslaagd antwoord op de vragen die zich stelden. In plaats van de strijd te decentraliseren naar kleine, autonome groepen en kleine zelfgeorganiseerde strijdstructuren verankerd in de sociale conflictualiteit, neigde deze assemblee er eerder toe om de diffuse strijd opnieuw te centraliseren in één vergadermoment, in één ruimte. In plaats van dat autonome en disparate initiatieven de veelkleurige mozaïek maken van de strijddynamiek, neigde iets als een assemblee ertoe om haar tijdsritmes op te leggen aan de strijd.

Een kwalitatieve sprong

Aan het einde van de lente van 2010 doemden moeilijke vragen op. Hoe de strijd verder zetten? Hoe kunnen we iets aanvangen met al het verzette werk, met alle verspreide vijandigheid, hoe kunnen we komen tot een breukmoment (in die zin met enige goede wil, insurrectioneel, te noemen) komen dat inbeukt op de bestaande sociale verhoudingen, tot een sociaal, gedeeld moment van vijandigheid en aanval? Vele mogelijkheden lagen open, vele mogelijkheden zijn onverkend gebleven, andere mogelijkheden bleken enigszins té ambitieus te zijn of er bleek alleszins niet voldoende stevige grond voorhanden. Die zoektocht naar een meer ambitieus aanvalsproject toonde eens te meer aan dat de aanwezigheid van autonome affiniteitgroepen en de informele coördinatie ertussen in het kader van een specifiek aanvalsproject een niet te omzeilen voorwaarde is. Andere instrumenten, zoals assemblees, toonden eveneens duidelijk hun limieten op dat vlak. Ook begon uitputting en vermoeidheid, en misschien ook wel een zekere ‘angst’ over de mogelijke gevolgen, de strijd parten te spelen. De uitputting en vermoeidheid vallen misschien te wijten aan een onzorgvuldige “temporalisering” van de projectualiteit, misschien ook aan andere factoren.

Alleszins, één van die mogelijke kwalitatieve sprongen werd ingebeeld onder de vorm van een strijdbare betoging in Brussel, die zou moeten plaatsgevonden hebben op 1 oktober 2010. Het ging niet over een betoging zoals zovele andere, maar over een moment waarop de verschillende rebellieën elkaar konden ontmoeten en het enge kader van een betoging overstijgen. Om een vonk te geven aan de conflictualiteit. Er werd veel voorbereidend werk gestoken in die betoging, zowel op organisatorisch vlak als op het vlak van propagandaverspreiding. In zekere zin is het niet overdreven om te stellen dat de datum van 1 oktober niet uit het Brusselse straatbeeld (en in andere mate ook in andere steden, uiteraard) te denken was. Die dag werd Brussel gemilitariseerd. Een enorme hoeveelheid flikken stond paraat. De Brusselse gevangenissen werden afgezet met prikkeldraad, waterkanonnen en hele cordons oproerpolitie uit angst voor aanvallen van buitenaf of rellen binnen. Vele metrostations waren afgezet. In Anderlecht patrouilleerden gebivakkeerde flikken met machinegeweren. Ze waren op het ergste voorbereid. Maar de mislukking van de betoging valt zeker niet alleen op de repressieve aanwezigheid af te schuiven (per slot van rekening was zulke aanwezigheid voorzien en in rekening gebracht). Het was mogelijk om die betoging te beginnen. Het was zeker zwaar geweest, een zwaar gevecht, maar het had een gevecht kunnen zijn dat de lont aan het kruitvat had kunnen leggen. Maar om die betoging te beginnen, was dat bewustzijn nodig. Uiteindelijk is de betoging nooit begonnen of vertrokken, een tweehonderdtal mensen werd gearresteerd in de buurt van de afspraakplek. Tientallen mensen ondergingen allerlei vormen van brutaliteit in de kazernes, op een systematische manier, op een terroristische manier. Later op de avond vielen tientallen mensen een Brussels politiekantoor aan waar de ramen sneuvelden, politiewagens en privé-wagens van politieagenten beschadigd werden en twee agenten gewond raakten. Vier kameraden werden in de straten rondom dat kantoor gearresteerd en bleven een maand opgesloten in de gevangenis. Een week later organiseerde de politievakbonden een betoging in het centrum van Brussel om het geweld aan te klagen.

In de weken na de 1ste oktober was de kater zwaar, ook al leek de strijd niet uit te doven. Er vonden vele aanvalsacties plaats zoals bijvoorbeeld een brandaanval tegen de Security-Expo in Luik, een simultane brandaanval tegen Besix en de architecten Bontinck in Gent, een brandaanslag tegen de kantoren van de Federale Politie in Brussel. In sommige gevangenissen kwam het in de dagen na de eerste oktober tot opstanden en begin november vond nog een strijdbare “blitzbetoging” plaats die Anderlecht doorkruiste.

Hoe eindigt een strijd? Wie zegt wanneer een strijd eindigt? Alleszins kunnen we stellen dat de specifieke strijd tegen de bouw van het nieuwe gesloten centrum in Steenokkerzeel de kater van 1 oktober niet meer echt te boven zou komen en geen nieuwe wegen meer zou vinden of verkennen om verder te gaan. Zoals zo vaak op zulke momenten werd de strijdbaarheid en vastberadenheid van ieder op de proef gesteld, ontstonden er polemieken die, na de ervaring van een ‘mislukking’ (bijvoorbeeld de niet-betoging van 1 oktober), plots het hele opzet in vraag stelden en met de vinger wezen naar anderen. Wie geen ruimte maakt voor kritiek en voortdurend de pols probeert te voelen aan de eigen activiteiten en perspectieven, komt onvermijdelijkerwijze in een doodlopend straatje terecht. Maar als we onze eigen ervaringen voor welke reden dan ook in de vuilbak smijten, als we uiteindelijk diep van binnen nog altijd blijven verlangen naar meetbare kwantitatieve resultaten, als we terugdeinzen voor de engagementen die een strijdproject hoe dan ook vraagt, lopen we het risico om de kritiek die in staat stelt om te verfijnen, uit te diepen, bij te sturen, de vijand beter te raken en daarvoor een zekere afstand vraagt tot de dingen, te laten verworden tot een pleidooi om de schouders te laten zakken en uiteindelijk tout court afstand te nemen. Zoals altijd, aan ieder zijn conclusies.

Uiteindelijk werd het nieuwe gesloten centrum pas begin 2012 geopend. De bouw liep meer dan een anderhalf jaar vertraging op, volgens de bouwheer, de Dienst Vreemdelingenzaken, ondermeer “omwille van civiele acties”. De betoging in Steenokkerzeel die gepland was naar aanleiding van de nakende opening ervan, botste op een gemilitariseerde zone. Enkele uren later vielen tientallen gemaskerden op een zonnige zondagmiddag in Brussel de kantoren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan.

1 Na die debatten in het parlement en in de senaat verhoogde de staat (doorheen de politie- en veiligheidsdiensten) haar waakzaamheid. Er werd bijvoorbeeld een Early Warning System ingevoerd, dat geviseerde bedrijven moest waarschuwen voor mogelijke dreigingen en die bedrijven tegelijkertijd een platform bood om “verdachte gedragingen” te melden. Het Orgaan voor Dreigingsanalyse, wiens regelmatige analyses meer of minder middelen toekennen aan de ordediensten, begon “het anarchisme” als de belangrijkste dreiging te beschouwen voor de binnenlandse veiligheid. De staatsveiligheid probeerde via georganiseerde lekken naar een aantal van haar journalistieke vriendjes de boel op te stoken door hen ‘ophefmakende’ en ‘onthullende’ artikels te laten publiceren over de anarchistische beweging in België. Tenslotte werd ook een ‘permanente bewaking’ ingesteld rond bepaalde structuren zoals de gesloten en open centra, werd het personeel ervan gebrieft, kregen sommige officiële persoonlijkheden bescherming; dat alles om eventuele raids en aanvallen te proberen voorkomen.

Leave a Reply